Belanghebbende, een BV, kreeg naheffingsaanslagen dividendbelasting opgelegd over de jaren 2015 en 2016 van elk €110.294, met daarbij verzuimboetes en belastingrente. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar mat de boetes wegens termijnoverschrijding met 10% en stelde deze vast op €4.750.
In hoger beroep werd betwist of de naheffingsaanslagen terecht waren en of de verzuimboetes terecht waren opgelegd. Het hof bevestigde dat tussen belanghebbende, haar directeur-enig aandeelhouder en de inspecteur een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst bestaat, waarin een rekening-courantvordering en jaarlijkse dividenduitkeringen zijn vastgelegd.
De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de rekening-courantschuld eind 2015 en 2016 hoger was dan afgesproken, wat een verkapte dividenduitkering van €125.000 per jaar rechtvaardigt. De door belanghebbende gestelde aflossingen op de rekening-courantschuld werden niet aannemelijk geacht. De verzuimboetes werden als passend en geboden beschouwd, omdat geen sprake was van afwezigheid van alle schuld. De belastingrente werd gehandhaafd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.