ECLI:NL:GHARL:2021:5988

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2021
Publicatiedatum
18 juni 2021
Zaaknummer
Wahv 200.269.922/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie snorfiets zonder deugdelijke bebording

Betrokkene werd een administratieve sanctie van €95 opgelegd wegens het niet gebruiken van het verplichte (brom)fietspad met een snorfiets op 12 juni 2018 in Amsterdam. De sanctie was gebaseerd op een constatering door een ambtenaar dat betrokkene op de rijbaan reed terwijl een bord met een onderbord 'snorfietsers verboden' aanwezig zou zijn.

De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat het onderbord beschadigd was en op de dag van de overtreding hersteld is, maar dat het tijdstip van herstel onbekend was. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de bebording daadwerkelijk op het moment van de overtreding aanwezig en leesbaar was.

Het hof oordeelde dat op basis van het proces-verbaal van schouw en de overgelegde foto's niet vaststaat dat de bebording deugdelijk geplaatst was op het tijdstip van de gedraging. Daarom kon niet worden vastgesteld dat de overtreding had plaatsgevonden. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie, verklaarde het beroep gegrond en wees proceskosten toe aan betrokkene.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs van correcte bebording en verklaart het beroep gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.269.922/01
CJIB-nummer
: 217808607
Uitspraak d.d.
: 18 juni 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Als (snor)fietser bij ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir, voetpad)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 juni 2018 om 11:17 uur op de Museumstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] . Het betreft hier een snorfiets.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de bebording ten tijde van de gedraging niet op de juiste wijze was geplaatst. Het proces-verbaal van schouw geeft daarover geen uitsluitsel, nu daarin staat vermeld dat het bord op de dag van de gedraging is hersteld omdat het beschadigd en niet goed leesbaar was. Hierbij wordt geen tijdstip vermeld, zodat niet duidelijk is of dit voor of na de vermeende gedraging is gebeurd. De beschikking kan om deze reden niet in stand blijven.
3. De gegevens waarop de oplegging van de sanctie is gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht, dat zich in het dossier bevindt. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld. Ook zijn er foto's van de gedraging en is er een afschrift van de aankondiging van beschikking aanwezig.
4. De officier van justitie heeft in de procedure bij de kantonrechter een proces-verbaal van schouw van overgelegd. Ambtenaar [naam] verklaart hierin dat de bebording in de maand juni 2018 van de passage Rijksmuseum en de Cuyperspassage is gecontroleerd. Het onderbord van het bord dat geplaatst is aan de zuidkant van de Museumstraat aan de linkerzijde van het voetgangersgebied (en waarop is vermeld "snorfietsers verboden") was op dat moment beschadigd en niet duidelijk leesbaar. Hiervan is een fotografische opname van 6 juni 2018 overgelegd. Op 12 juni 2018 is het bord weer hersteld.
5. Het hof is met de gemachtigde van oordeel dat op basis van het proces-verbaal van schouw niet kan worden vastgesteld dat de bebording ten tijde van de gedraging deugdelijk geplaatst stond, omdat het tijdstip waarop het onderbord op 12 juni 2018 is hersteld niet bekend is. Dit betekent dat op basis van de beschikbare informatie niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal beslissen als hieronder aangegeven. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven aldus geen bespreking meer.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. Aan het verschijnen ter zitting van de kantonrechter van
18 juni 2019 dient één punt te worden toegekend. Aan het indienen van de nadere toelichting op het hoger beroep moet een half punt worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.201,50
(= 4,5 x € 534,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.201,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.