Belanghebbende heeft voor het jaar 2016 een bedrag van €7.222,48 opgegeven als aftrek voor uitgaven voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapten, betrekking hebbend op de eigen bijdrage voor zorgkosten van haar moeder in 2014. De Inspecteur corrigeerde deze aftrekpost en legde een navorderingsaanslag op, welke door belanghebbende werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Tijdens de procedure stelde belanghebbende dat het betaalde bedrag als persoonsgebonden aftrek moest worden aangemerkt, of subsidiair als schulden in aanmerking te nemen voor de vermogensrendementsheffing.
Het Hof oordeelde dat de betaling van de eigen bijdrage niet kwalificeert als persoonsgebonden aftrek volgens artikel 6.1 en 6.25 Wet IB 2001, mede omdat bijdragen krachtens de Wet langdurige zorg zijn uitgesloten van aftrek. Ook andere wettelijke bepalingen bieden geen grond voor aftrek. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Het vonnis is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021 door de voorzitter van de zesde enkelvoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.