ECLI:NL:GHARL:2021:6278

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juni 2021
Publicatiedatum
28 juni 2021
Zaaknummer
200.260.541/02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 lid 1 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot wraking raadsheer-plaatsvervanger wegens vooringenomenheid

In de procedure tussen [verzoeker] B.V. en [naam1] B.V. werd op 18 mei 2021 een mondelinge behandeling gehouden waarbij raadsheer-plaatsvervanger Van der Kuil betrokken was. Tijdens deze zitting werd geconstateerd dat Van der Kuil een oud-kantoorgenoot was van de advocaten die [verzoeker] bijstaan, wat aanleiding gaf tot een wrakingsverzoek.

Het wrakingsverzoek werd mondeling ingediend en gebaseerd op het feit dat Van der Kuil eerder in dienst was bij Van Traa Advocaten, het kantoor waar de advocaten van [verzoeker] werkzaam zijn, en dat dit dienstverband was geëindigd na een arbeidsconflict. Dit conflict was zowel zakelijk als persoonlijk van aard en had diepe wonden geslagen bij betrokkenen.

Van der Kuil ontkende vooringenomenheid en stelde dat de periode afgesloten was. De wrakingskamer oordeelde echter dat de omstandigheden uitzonderlijk waren en dat de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd was, mede omdat Van der Kuil niet heeft ontkend dat het vertrek het gevolg was van een conflict en de verhoudingen niet genormaliseerd zijn.

De wrakingskamer besloot daarom het verzoek tot wraking toe te wijzen en Van der Kuil te schorsen als raadsheer in deze zaak. De beslissing werd op 24 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen raadsheer-plaatsvervanger Van der Kuil is toegewezen wegens objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
zaaknummers W200.260.541/02
beslissing van de wrakingskamer van 24 juni 2021
inzake het verzoek tot wraking, gedaan door
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoeker] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: [verzoeker] ,
verzoeker,
advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam.

1.De procedure

1.1
Bij dit hof is onder zaaknummer 200.260.541 een procedure aanhangig tussen [verzoeker] en [naam1] B.V.
1.2
Op 18 mei 2021 heeft in die procedure een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [verzoeker] werd bijgestaan door mr. Pool voornoemd als procesadvocaat en mr. L.R. van Hee als behandelend advocaat.
1.3
Na aanvang van de mondelinge behandeling constateerde mr. Van Hee dat een van de behandelend raadsheren, te weten mr. V. van der Kuil, een oud-kantoorgenoot van hem en mr. Pool is. Hij heeft mr. Van der Kuil daarom verzocht zich te verschonen. Mr. van der Kuil zag daar geen reden voor, waarna mr. Van der Kuil namens [verzoeker] is gewraakt.
Vervolgens is de mondelinge behandeling geschorst.
1.4
Mr. Van der Kuil heeft in een schriftelijke reactie verklaard niet te berusten in de wraking en heeft daarin tevens inhoudelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Deze reactie is aan de advocaten van [verzoeker] toegezonden. Van de zijde van [verzoeker] is 4 juni 2021 nog een schriftelijk stuk binnengekomen zijnde een brief van mr. A. Steensma.
1.5
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 10 juni 2021 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig mr. V.R. Pool en mr. L.R. van Hee die het wrakingsverzoek hebben toegelicht mede aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.

2.De beoordeling van het verzoek

2.1
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het wrakingsverzoek wordt gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van de zitting kan het verzoek ook mondeling worden gedaan. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen (artikel 36 en Pro 37 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
2.2
[verzoeker] is ontvankelijk in haar wrakingsverzoek. Het verzoek is mondeling gedaan na aanvang van de zitting en de wrakingsgrond is in het proces-verbaal van die mondelinge behandeling opgenomen.
2.3
Door [verzoeker] wordt gesteld dat zich in deze zaak een omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat mr. Van der Kuil jegens Van Traa Advocaten, het kantoor waar mrs. Pool en Van Hee werkzaam zijn, en daardoor ook jegens [verzoeker] vooringenomen zou kunnen zijn, althans dat de bij [verzoeker] bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Mr. Van der Kuil is namelijk in dienst geweest bij Van Traa advocaten en dit dienstverband is wegens een arbeidsconflict geëindigd. Ter zitting van de wrakingskamer hebben mrs. Van Hee en Pool dit als volgt nader toegelicht. In de vaststellingsovereenkomst die is opgemaakt ter beëindiging van het dienstverband is een geheimhoudingsbeding opgenomen, zodat mr. Van Hee op de mondelinge behandeling van 18 mei 2021 niet in detail is ingegaan op de aard van het arbeidsconflict. Dit stevige, acht maanden durende, arbeidsconflict was behalve een zakelijk ook een persoonlijk conflict en heeft diepe wonden geslagen bij de partners en aandeelhouders van Van Traa Advocaten, wonden die nog niet zijn geheeld. Ook in die tijd waren zowel mr. Pool als mr. Van Hee werkzaam bij Van Traa Advocaten. Mr. Pool was destijds lid van het bestuur van Van Traa Advocaten en in die hoedanigheid rechtstreeks betrokken bij het conflict.
Mr. van Hee zat in die tijd een kamer recht tegenover die van mr. Van der Kuil en heeft aldus het conflict van dichtbij meegemaakt, maar ook als partner en aandeelhouder van Van Traa Advocaten.
2.4
In haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek heeft mr. Van der Kuil aangevoerd dat zij van 1 januari 2012 tot 1 augustus 2015 in dienst is geweest bij Van Traa Advocaten en dat haar arbeidsovereenkomst is beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst. Zij wijst er op dat dit inmiddels bijna zes jaar geleden is en dat zij dit beschouwt als een afgesloten periode. In haar persoonlijke, subjectieve beleving staat zij neutraal en onpartijdig tegenover verzoeker.
2.5
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit vermoeden lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.6
Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn de aangevoerde omstandigheden uitzonderlijk en zodanig dat deze zwaarwegende aanwijzingen opleveren dat de bij [verzoeker] bestaande vrees voor vooringenomenheid van mr. Van der Kuil objectief gerechtvaardigd is. Vaststaat dat mr. Van der Kuil werkzaam is geweest bij Van Traa Advocaten en dat haar dienstverband (iets minder dan zes jaar geleden) is beëindigd met een vaststellingsovereenkomst. Hieruit en uit het gegeven dat mr. Van der Kuil verder niet reageert op de stellingen van de zijde van [verzoeker] over de reden voor het vertrek, concludeert de wrakingskamer dat aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een conflict ten grondslag heeft gelegen. De wrakingskamer kan niet vaststellen dat de verhoudingen sindsdien zijn genormaliseerd. Dit is voor de wrakingskamer voldoende voor een objectieve rechtvaardiging voor de vrees van [verzoeker] voor vooringenomenheid van mr. Van der Kuil, temeer omdat mr. Pool destijds als lid van het bestuur rechtstreeks betrokken was bij het conflict. De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking dan ook toewijzen.

3.De beslissing

De wrakingskamer van het gerechtshof, beslissende op het verzoek tot wraking:
wijst het verzoek tot wraking van mr. V. van der Kuil toe.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, voorzitter, M.E. van Wees en
R.A.V. Boxem, is ondertekend door mr. R.A.V. Boxem, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2021.