ECLI:NL:GHARL:2021:6309

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juni 2021
Publicatiedatum
29 juni 2021
Zaaknummer
21-002174-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep smaadschrift en smaad met gedeeltelijke schadevergoeding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte was veroordeeld voor smaadschrift en smaad. Verdachte had op een openbare website beschuldigingen geplaatst die de eer en goede naam van meerdere benadeelden aantastten.

Het hof stelde vast dat verdachte bewust met het kennelijke doel van ruchtbaarheid smadelijke teksten openbaar had gemaakt, ondanks haar stelling dat zij niet wist dat de klacht openbaar was. De bewezenverklaring omvat smaadschrift jegens drie benadeelden en smaad jegens één benadeelde.

De strafoplegging bestond uit een voorwaardelijke geldboete van € 500,- met een proeftijd van één jaar, subsidiair tien dagen hechtenis. Tevens wees het hof gedeeltelijk schadevergoedingen toe aan de benadeelden, elk € 100,- voor immateriële schade, met wettelijke rente vanaf het moment van de feiten. De eerdere strafbeschikking werd vernietigd en het vonnis waarvan beroep werd vervangen door dit arrest.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,- met een proeftijd van één jaar en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002174-19
Uitspraak d.d.: 24 juni 2021
TEGENSPRA
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 8 april 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-020029-19 en 18-060457-18, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 750,- met een proeftijd van twee jaren. Voorts vordert de advocaat-generaal gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 750,- subsidiair vijftien dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-020029-19:
zij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2018 tot en met 27 augustus 2018, althans in de maand augustus 2018, te [plaats] , opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde partij1] en/of [benadeelde partij2] en/of [benadeelde partij3] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op de site [naam1] .nl een bericht te plaatsen, met onder meer de tekst: "Sinds een paar jaar last van een buurman van mijn moeder dhr. [benadeelde partij1] en mw. [benadeelde partij3] wonende aan de [adres1] in [plaats] deze mensen terroriseren en vernielen bij mijn gezin en bij mijn moeder telkens weer dingen willen wij aangifte ervan doen dat mag dat niet en wordt je als crimineel behandeld door [naam2] . Dhr. [benadeelde partij1] heeft zelfs geprobeerd ons dochtertje mee te sleuren naar zijn huis" en/of "Ook spant hij samen met de overburen fam. [benadeelde partij2] [adres2] die mijn moeder zal laten ophangen omdat ik even op zijn parkeerplek stond toen mijn vader terminaal was.";
Zaak met parketnummer 18-060457-18:
zij in of omstreeks de periode van 30 november 2017 tot en met 12 december 2017 te [plaats] opzettelijk de eer en/of de goede naam van [benadeelde partij1] heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door die [benadeelde partij1] er van te beschuldigen dat hij haar dochter en/of andere kinderen lastig zou vallen en/of dat hij een pedofiel is;
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Zaak met parketnummer 18-020029-19
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij een klacht heeft ingediend op [naam1] .nl, en dat die klacht was bedoeld voor de politie. Voorts heeft zij verklaard dat zij zag dat meerdere mensen daar een klacht konden indienen, ook over de overheid, en dat zij sommige klachten die anderen indienden ook kon lezen. Verdachte heeft eveneens verklaard dat het mogelijk was om de klacht openbaar of privé te plaatsen, en dat dit blijkbaar bij haar niet goed is gegaan, omdat anderen haar klacht hebben gelezen.
Oordeel van het hof
Volgens de Hoge Raad is sprake van smaadschrift, zijnde tenlastelegging van een “bepaald feit” als bedoeld in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht, als het feit op zodanige wijze door de verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. [1] Gelet op de inhoud van het door verdachte geschreven en geplaatste bericht is naar het oordeel van het hof aan dit vereiste voldaan. Voorts is vereist dat het bericht is geplaatst met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. Door het bericht te plaatsen op [naam1] .nl, een site waarop in beginsel iedereen de geplaatste berichten kan lezen, is naar het oordeel van het hof ook hieraan voldaan. Het hof gaat voorbij aan de verklaring van verdachte ter zitting, dat zij niet wist dat haar bericht openbaar was geplaatst. Verdachte heeft namelijk ook verklaard dat zij door anderen geplaatste berichten kon zien en dat er een mogelijkheid was om je bericht openbaar dan wel privé te plaatsen. Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat het bericht door verdachte openbaar is geplaatst en derhalve is geplaatst met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven.
Zaak met parketnummer 18-060457-18
Verdachte heeft ter zitting onder meer verklaard dat zij wel heeft gesproken met [getuige] over hetgeen haar dochter overkomen was, maar dat zij daarbij [benadeelde partij1] geen pedofiel heeft genoemd.
Oordeel van het hof
Het dossier bevat een getuigenverklaring van [getuige] , een getuigenverklaring van [benadeelde partij3] en de aangifte van [benadeelde partij1] . Het hof heeft geen concrete aanwijzingen om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen. Hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard omtrent onder meer de geestelijke gezondheid van [getuige] maakt dit niet anders.
Gelet op bovenstaande acht het hof het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-020039-19 en het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-060457-18 wettig en overtuigend bewezen zoals hieronder bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-020029-19 en in de zaak met parketnummer 18-060457-18 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 18-020029-19:
zij in de periode van 17 augustus 2018 tot en met 27 augustus 2018, te [plaats] , opzettelijk de eer en de goede naam van [benadeelde partij1] en [benadeelde partij2] en [benadeelde partij3] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van het openlijk tentoonstellen van een geschrift, door op de site [naam1] .nl een bericht te plaatsen, met onder meer de tekst: "Sinds een paar jaar last van een buurman van mijn moeder dhr. [benadeelde partij1] en mw. [benadeelde partij3] wonende aan de [adres1] in [plaats] deze mensen terroriseren en vernielen bij mijn gezin en bij mijn moeder telkens weer dingen willen wij aangifte ervan doen dat mag dat niet en wordt je als crimineel behandeld door [naam2] . Dhr. [benadeelde partij1] heeft zelfs geprobeerd ons dochtertje mee te sleuren naar zijn huis" en "Ook spant hij samen met de overburen fam. [benadeelde partij2] [adres2] die mijn moeder zal laten ophangen omdat ik even op zijn parkeerplek stond toen mijn vader terminaal was."
Zaak met parketnummer 18-060457-18 (gevoegd):
zij in de periode van 30 november 2017 tot en met 12 december 2017 te [plaats] opzettelijk de eer en de goede naam van [benadeelde partij1] heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door die [benadeelde partij1] er van te beschuldigen dat hij haar dochter lastig zou vallen en dat hij een pedofiel is.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-020029-19 bewezenverklaarde levert op:

smaadschrift.

Het in de zaak met parketnummer 18-060457-18 bewezenverklaarde levert op:

smaad.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift ten aanzien van [benadeelde partij1] , [benadeelde partij3] en [benadeelde partij2] en aan smaad ten aanzien van [benadeelde partij1] . Door een bericht op de openbare website [naam1] .nl te plaatsen met daarin smadelijke teksten, heeft zij aangevers in hun eer en goede naam aangetast. Ten aanzien van aangever [benadeelde partij1] heeft zij hem in zijn eer en goede naam aangetast door hem ervan te beschuldigen dat hij haar dochter lastig zou vallen en dat hij een pedofiel is. Verdachte heeft aangevers beticht van ernstige zaken en daarmee grove inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer.
Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 mei 2021 blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Het hof neemt voorts in overweging dat de bewezenverklaarde feiten enige tijd geleden plaatsvonden en dat het nu rustig(er) lijkt te zijn tussen verdachte en aangevers.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof – mede gelet op de financiële omstandigheden van verdachte zoals die ter zitting naar voren zijn gekomen – oplegging van een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] in de zaak met parketnummer 18-020029-19
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-020029-18 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof acht toewijzing tot een bedrag van € 100,- billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] in de zaak met parketnummer 18-020029-19
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-020029-18 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof acht toewijzing tot een bedrag van € 100,- billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] in de zaak met parketnummer 18-020029-19
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-020029-18 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof acht toewijzing tot een bedrag van € 100,- billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] in de zaak met parketnummer 18-060457-18
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-060457-18 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof acht toewijzing tot een bedrag van € 100,- billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f, 57 en 261 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-020029-19 en in de zaak met parketnummer 18-060457-18 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-020029-19 en in de zaak met parketnummer 18-060457-18 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 5 april 2018 onder CJIB nummer 1132 5420 0321 8731.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-020029-19 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-020029-19 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 augustus 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-020029-19 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-020029-19 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 augustus 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-020029-19 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-020029-19 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 augustus 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-060457-18 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-060457-18 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 november 2017.
Aldus gewezen door
mr. J.J. Beswerda, voorzitter,
mr. M.B. de Wit en mr. M.C. van Linde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,
en op 24 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1198, NJ 2016/346