ECLI:NL:GHARL:2021:6331

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 juni 2021
Publicatiedatum
29 juni 2021
Zaaknummer
Wahv 200.269.722
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 11 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie rechts inhalen bij blokmarkering afgewezen

De betrokkene kreeg een sanctie van €230 opgelegd wegens rechts inhalen op de Rijksweg A1 te Terschuur. Hij voerde aan dat hij zich op een blokmarkering bevond en dat rechts inhalen toegestaan was volgens artikel 11, vierde lid RVV 1990. De officier van justitie baseerde de sanctie op een ambtsedige verklaring van een ambtenaar, die de overtreding vaststelde.

De betrokkene ontkende de gedraging en stelde dat hij zich rechts van de blokmarkering bevond in het kader van een uitvoegmanoeuvre. Het hof oordeelde dat het vierde lid van artikel 11 RVV Pro 1990 niet van toepassing was, omdat de betrokkene niet bezig was de doorgaande rijbaan te verlaten. De ambtenaar had geconstateerd dat de betrokkene meerdere voertuigen rechts had ingehaald zonder dat sprake was van een in- of uitvoegmanoeuvre.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter die de sanctie handhaafde en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het beroep van de betrokkene werd ongegrond verklaard en de sanctie bleef van kracht.

Uitkomst: De sanctie van €230 voor rechts inhalen bij een blokmarkering wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.269.722/01
CJIB-nummer
: 217558432
Uitspraak d.d.
: 29 juni 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 11 oktober 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “rechts inhalen waar dat is verboden”. Deze gedraging zou zijn verricht op
7 juni 2018 om 8:50 uur op de Rijksweg A1 in Terschuur met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2.
Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. De gemachtigde heeft gewezen op hetgeen in artikel 11, vierde lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 is bepaald, namelijk: “Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen.” De betrokkene heeft met stukken onderbouwd dat hij zich op de blokmarkering bevond. Verder heeft de officier van justitie verwezen naar de ambtsedige verklaring van de ambtenaar, maar er is geen ambtsedige verklaring.
3.
Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Rijstrook waar betrokkene aanvankelijk reed: 1.
Rijstrook waar betrokkene inhaalde: 3.
Snelheid waarmee betrokkene inhaalde: 120 km/h.
Aantal ingehaalde voertuigen: 11.(…)
Opmerkingen ambtenaar 1: Ik verbalisant zag de betrokken Mercedes van rijstrook 1 naar de in/uitvoegstrook rijden op rijstrook 3. Hier bleef de bestuurder op rijden. Hierbij haalde hij 11 voertuigen rechts in om vervolgens weer naar rijstrook 1 te gaan. (…)”
5. In een aanvullend proces-verbaal van 25 juli 2018 verklaart de ambtenaar – kort samengevat – het volgende. Op de pleegdatum werd de ambtenaar met een fors snelheidsverschil ingehaald door een zwarte Mercedes voorzien van kenteken [kenteken] die op rijstrook 1 reed. De ambtenaar is het voertuig toen gaan volgen en hij zag dat dat de Mercedes van rijstrook 1 naar rijstrook 2 reed en hier al meerdere voertuigen rechts inhaalde. De ambtenaar zag dat de bestuurder op rijstrook 3 ook voertuigen rechts inhaalde, om vervolgens weer op rijstrook 2 in te voegen.”
6. Hoewel de inhaalmanoeuvre heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van een uitvoegstrook richting een parkeerplaats, is het vierde lid van artikel 11 RVV Pro 1990 in de onderhavige situatie niet van toepassing. De betrokkene bevond zich niet rechts van de blokmarkering als bedoeld in dit artikellid, nu hij niet bezig was om met gebruikmaking van de uitvoegstrook de doorgaande rijbaan te verlaten (vergelijk het arrest van het hof van 8 april 2011, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ4451). Het bezwaar treft geen doel.
7. Gelet op de arresten van het hof van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) en 1 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1786), is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.