Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.Slotsom
4.De beslissing
17 augustus 2021voor het nemen van de memorie van grieven door [appellant] ;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure in hoger beroep verzocht appellant het hof om de verstekdagvaarding uit de procedure bij de rechtbank over te leggen, omdat hij deze niet in bezit had. Geïntimeerde, Dudok Bouw- en Vastgoedrecht, weigerde dit ondanks herhaalde verzoeken en een telefonisch verzoek van de griffier.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 22 Rv Pro en artikel 4.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, de partij die de mondelinge behandeling heeft gevraagd of waarvoor deze ambtshalve is bepaald (hier appellant), de stukken van de eerste aanleg moet overleggen. Omdat appellant verklaarde de stukken niet te bezitten, gaf het hof Dudok het bevel om de verstekdagvaarding alsnog binnen zeven dagen aan appellant en het hof te overleggen.
Het hof benadrukte het belang van het recht op een eerlijke behandeling (artikel 6 EVRM Pro) en het volledig en waarheidsgetrouw aanvoeren van relevante feiten (artikel 21 Rv Pro). Daarnaast wees het hof op de mogelijkheid tot afwijking van het procesreglement indien de omstandigheden dit rechtvaardigen.
Tot slot overwoog het hof dat de zitting door de weigering van Dudok niet aan het doel kon beantwoorden, waardoor de kosten van die zitting in beginsel voor haar rekening komen, evenals de kosten aan de zijde van appellant.
De zaak werd verwezen naar een roldatum voor het nemen van de memorie van grieven door appellant, en verdere beslissingen werden aangehouden.
Uitkomst: Het hof beveelt geïntimeerde Dudok om de verstekdagvaarding binnen zeven dagen aan appellant en het hof te overleggen.