ECLI:NL:GHARL:2021:6414

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juni 2021
Publicatiedatum
30 juni 2021
Zaaknummer
Wahv 200.276.334/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie aan handelsnaam als kentekenhouder bij negeren rood licht

De betrokkene, een handelsnaam en kentekenhouder van een bromfiets, kreeg een sanctie van €160 opgelegd wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 15 maart 2019 in Gouda. De betrokkene stelde dat de sanctie niet aan een rechtssubject was opgelegd, omdat een handelsnaam geen natuurlijke of rechtspersoon is, en betwistte de gedraging. Tevens voerde de gemachtigde aan dat de ambtenaar in burgerkleding zonder staandehouding handelde, wat volgens artikel 5 van Pro de Wahv niet is toegestaan.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het hof bevestigt deze beslissing en overweegt dat het feit dat de sanctie aan een handelsnaam wordt opgelegd niet aan sanctieoplegging in de weg staat, omdat de handelsnaam als kentekenhouder kan worden aangesproken. De betwisting van de gedraging faalt op basis van de verklaringen van de ambtenaar.

Het hof acht het toegestaan dat ambtenaren in burgerkleding handhaven, mits er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was, zoals in deze zaak het geval was. De sanctie aan de kentekenhouder is dan terecht. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk is gesteld.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €160 aan de handelsnaam als kentekenhouder wegens negeren van rood licht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.276.334/01
CJIB-nummer
: 224204751
Uitspraak d.d.
: 30 juni 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 maart 2019 om 17:45 uur op de Albert Plesmanplein in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de sanctie niet is opgelegd aan een rechtssubject, te weten aan een natuurlijke of een rechtspersoon. De geadresseerde van de inleidende beschikking is een handelsnaam. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Verder betwist de gemachtigde namens de betrokkene de gedraging. De gemachtigde brengt ook naar voren dat de ambtenaar in veel zaken buiten diensttijd en zonder staandehouding sancties oplegt. De ambtenaar verklaart steeds dat hij in burger was en geen stopmiddelen voorhanden had. Gelet op het aantal zaken waarin deze kwestie zich voordoet is er sprake van doelbewust handelen. Artikel 5 van Pro de Wahv voorziet niet in de mogelijkheid om in burgerkleding op pad te gaan om geen staandehouding te hoeven verrichten. Nu de sanctie in strijd met artikel 5 van Pro de Wahv is opgelegd, kan de inleidende beschikking ook om deze reden niet in stand blijven.
3. De sanctie is opgelegd aan [betrokkene] . De gemachtigde heeft niet betwist dat het kenteken van het voertuig waarmee de vermeende gedraging is verricht, op naam van [betrokkene] is gesteld. Gelet hierop is [betrokkene] degene aan wie -indien zich de situatie als bedoeld in artikel 5 van Pro de Wahv voordoet- de sanctie kan worden opgelegd. Dat [betrokkene] een handelsnaam is en geen rechtspersoon of natuurlijk persoon doet hieraan niet af. Het verweer faalt op dit punt.
4. De (enkele) betwisting van de gedraging vindt zijn weerlegging in de verklaringen van de ambtenaar in het zaakoverzicht, waaruit naar voren komt dat de ambtenaar zag dat de bestuurder van de bromfiets van de betrokkene het voor zijn rijrichting geldende rood uitstralende verkeerslicht negeerde. Dit bezwaar treft derhalve geen doel.
5. Over de reden waarom de ambtenaar de bestuurder van de bromfiets niet heeft staandegehouden heeft de ambtenaar in het zaakoverzicht het volgende verklaard: “Verbalisant was in burgerkleding gekleed, reed in een burgervoertuig en had geen stopmiddelen voorhanden. Derhalve was staandehouding niet mogelijk.”
6. In het sfeer proces-verbaal van 15 april 2019 heeft de ambtenaar verder geschetst dat al jaren door burgers overlast wordt ervaren en gemeld van verkeersgedrag van bromfietsen in het centrum van Gouda. Deze klachten betreffen onder andere het negeren van rood uitstralende verkeerslichten. De klachten zijn regelmatig aanleiding voor intensieve controles waarbij bijvoorbeeld politieambtenaren de opdracht krijgen om handhavend op te treden. De ambtenaar verklaart verder dat hij, als dat mogelijk is, tot staandehouding overgaat maar dat hij ook weet dat als een opvallende controle wordt gehouden, dat wil zeggen in herkenbare politiekleding of in een herkenbaar politievoertuig, bestuurders daarop hun gedrag aanpassen en elkaar waarschuwen voor de controles.
7. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. Het hof begrijpt het sfeer proces-verbaal aldus dat hier uit handhavingsoogpunt ook wel is gekozen voor onopvallende controles. Naar het oordeel van het hof staat geen rechtsregel in de weg om in het belang van de effectiviteit van handhaving te kiezen voor controles in burger. Daarbij is het steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de sancties bij die controles aan de kentekenhouder kunnen worden opgelegd.
9. De ambtenaar heeft verklaard dat hij de bestuurder niet heeft staandegehouden omdat hij geen uniform droeg, in een privévoertuig reed en geen stopmiddelen voorhanden had. Die verklaring houdt genoegzaam in dat zich geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan tot staandehouding van de bestuurder. In dit geval mocht de ambtenaar dan ook volstaan met het bekeuren op kenteken. Verder kan uit het gegeven dat in andere zaken ook sancties aan de kentekenhouders zijn opgelegd niet worden afgeleid dat in de onderhavige zaak in burger is gesurveilleerd om staandehouding te vermijden. Het verweer van de gemachtigde faalt.
10. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.