ECLI:NL:GHARL:2021:6596

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2021
Publicatiedatum
7 juli 2021
Zaaknummer
Wahv 200.253.724/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 RVV 1990Art. 1 Regeling gehandicaptenparkeerkaart
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie parkeren zonder zichtbare gehandicaptenparkeerkaart ondanks passagierskaart

De betrokkene is gesanctioneerd voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder dat een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar was aangebracht. De kantonrechter verklaarde het beroep tegen de sanctie ongegrond, maar wees het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wel toe. De betrokkene stelde in hoger beroep dat een foto van de gedraging ontbrak, waardoor niet kon worden vastgesteld of de kaart zichtbaar was. Het hof oordeelde dat een foto niet vereist is en dat de verklaring van de ambtenaar voldoende bewijs vormt.

De betrokkene voerde aan dat de bestuurder, mantelzorgster, haar moeder vervoerde die in het bezit was van een passagierskaart. Er werd een verklaring en foto van de passagierskaart overgelegd, maar het hof vond niet aannemelijk gemaakt dat de kaart tijdens de gedraging zichtbaar was en dat het parkeren verband hield met het vervoer van de gehandicapte. Het ontbreken van nadere bewijsstukken over de afspraak bij de huisarts en het late tijdstip van het verweer speelden hierbij een rol.

Het hof bevestigde daarom het oordeel van de kantonrechter dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het arrest werd gewezen door rechter Beswerda en uitgesproken op 7 juli 2021.

Uitkomst: De sanctie voor parkeren zonder zichtbare gehandicaptenparkeerkaart wordt bevestigd omdat het niet aannemelijk is gemaakt dat het parkeren verband hield met het vervoer van een gehandicapte.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.253.724/01
CJIB-nummer
: 214533025
Uitspraak d.d.
: 7 juli 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 december 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 250,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht, waarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 22 juni 2021 zijn nog aanvullende stukken ontvangen van de gemachtigde van de betrokkene, in afschrift doorgezonden aan de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 23 juni 2021, waar de gemachtigde van de betrokkene is verschenen en de advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. De in hoger beroep opgeworpen bezwaren richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van
€ 370,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 december 2017 om 14:09 uur op de Rosmolen in Leiden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat er - vanwege het gebruik door de ambtenaar van het MEOS-systeem - een foto van de gedraging moet zijn gemaakt, die zich thans niet in het dossier bevindt. Die foto is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of de kaart zichtbaar in het voertuig lag. Nu de foto niet in het geding is gebracht, kan de inleidende beschikking volgens de gemachtigde niet in stand blijven.
3. De gedraging betreft een overtreding van artikel 26, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat luidt:
“Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:
a. (…);
b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt;
c. (…).”
4. Dat het voertuig met het onder 1. vermelde kenteken geparkeerd stond op een gehandicaptenparkeerplaats waarvoor een geldige gehandicaptenparkeerkaart vereist is, staat niet ter discussie. Gelet op het in artikel 26, aanhef en onder b, van het RVV 1990 bepaalde ziet het hof zich voor de vraag gesteld of in het voertuig op het moment van de gedraging een dergelijke kaart zichtbaar was aangebracht.
5. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht luidt:
“Overtreden artikel: 26 RVV 1990.
Opmerkingen ambtenaar 1: Geen kaart zichtbaar aanwezig, geen laad -of losactiviteiten gedurende 11 minuten.
Bijlagen: zaakoverzicht.”
6. Uit voormelde verklaring volgt dat de ambtenaar heeft waargenomen dat in het voertuig geen (geldige) gehandicaptenparkeerkaart lag op het onder 1. vermelde moment. Het hof heeft geen aanleiding om aan die verklaring te twijfelen. Het enkele feit dat van de gedraging geen foto is gemaakt, levert een dergelijke twijfel niet op en betekent niet dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Een foto van de gedraging is immers geen vereiste om vast te kunnen stellen dat een gedraging is verricht. Het verweer faalt en de gedraging staat op basis van de verklaring van de ambtenaar vast.
7. Het hof ziet zich voorts voor de vraag gesteld of er aanleiding is het sanctiebedrag te matigen. In het kader van die beoordeling is van belang dat de gemachtigde heeft aangevoerd dat de bestuurder van het voertuig (de echtgenote van de betrokkene) in hoedanigheid van chauffeur en mantelzorgster haar moeder moest vervoeren voor een bezoek en dat haar moeder in het bezit is van een passagierskaart. De kaart was geplaatst op het dashboard voor de voorruit, maar is door het sluiten van de deuren waarschijnlijk gevallen en terechtgekomen in het onderste vakje van het dashboard. De gemachtigde merkt hierbij nog op dat het beroepschrift mede is ondertekend door de moeder van de bestuurder. Onder deze omstandigheden is het volgens de gemachtigde niet billijk dat het volledige sanctiebedrag wordt gehandhaafd.
8. In het op 22 juni 2021 ter griffie van het hof ontvangen stuk heeft de gemachtigde een getuigenverklaring overgelegd van [naam2] , de schoonmoeder van de betrokkene, waarin zij verklaart in bezit te zijn van een gehandicaptenkaart voor passagiers en dat zij op 27 december 2017 voor een afspraak naar haar huisarts moest die is gevestigd op de Rosmolen 2. In die verklaring is voorts te lezen dat het niet mogelijk is hiervan een afsprakenkaart over te leggen, omdat zij inmiddels is overgestapt naar een andere huisarts.
9. Ter zitting heeft de gemachtigde hieraan nog toegevoegd dat de schoonmoeder van de betrokkene op leeftijd is, dat zij niet in bezit is van DigiD en dat het derhalve lastig is om medische gegevens online op te vragen. Evenals in het (bijgevoegde) arrest van het hof van 16 juni 2021 is de verklaring van de schoonmoeder van de betrokkene volgens de gemachtigde afdoende en aannemelijk, ook gelet op het feit dat het adres van haar huisarts is gevestigd op de locatie van de gedraging.
10. Het bepaalde in artikel 26, aanhef en onder b, RVV 1990 dient naar het oordeel van het hof zo te worden begrepen dat het op de weg van een betrokkene ligt zich erop te beroepen dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt en - wil dit beroep kunnen slagen - een betrokkene zijn stelling ook aannemelijk dient te maken (bijvoorbeeld het arrest van dit hof van 17 juli 2014, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2014:5768).
11. Artikel 1 van Pro de Regeling gehandicaptenparkeerkaart bepaalt in het eerste lid - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - dat voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking kunnen komen bestuurders of passagiers van motorvoertuigen die een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, permanent rolstoelgebonden zijn of andere ernstige beperkingen hebben. Het tweede lid van artikel 1 van Pro de Regeling gehandicaptenparkeerkaart bepaalt:
''Op de gehandicaptenparkeerkaart wordt met een hoofdletter B aangegeven of het een gehandicapte bestuurder betreft en een hoofdletter P of het een gehandicapte passagier betreft. Een combinatie van beide is mogelijk. (…).''
12. Bij het administratief beroepschrift zijn foto’s van de voor- en achterkant van een passagierskaart gevoegd, geldig tot 19 februari 2018 en afgegeven door de gemeente Leiden. De kaart is op naam gesteld van mevrouw [naam2] , volgens de informatie in het verweerschrift van de advocaat-generaal betreft dit de schoonmoeder van de betrokkene. Op de foto die is gevoegd bij het administratief beroepschrift, gemaakt vanuit de binnenkant van een voertuig, is een dashboard te zien waarop in het bovenste vakje een gehandicaptenparkeerkaart ligt. De advocaat-generaal heeft bij verweerschrift bevestigd dat dit voertuig geparkeerd staat op de gehandicaptenparkeerplaats waarop de onderhavige gedraging ziet.
13. Of deze foto is gemaakt kort nadat de ambtenaar de onderhavige gedraging heeft waargenomen, kan niet worden vastgesteld. Op de foto zijn geen gegevens zichtbaar omtrent datum en tijdstip. Ook kan op basis van die foto, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat deze is genomen kort nadat de onderhavige gedraging is waargenomen, niet worden vastgesteld dat het gaat om het voertuig van de betrokkene en evenmin dat de passagierskaart die daarop te zien is die van de schoonmoeder van de betrokkene betreft. Op de foto is namelijk enkel het bovenste gedeelte van de voorkant van de kaart te zien en aldus niet het gedeelte waarop de persoonsgegevens staan.
14. Het hof wil op basis van de overgelegde bescheiden aannemen dat de schoonmoeder van de betrokkene in bezit is van een passagierskaart, maar dat deze kaart ten tijde van de gedraging in het voertuig lag en dat het parkeren rechtstreeks verband hield met het vervoeren van deze persoon is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt. Dat, zoals in hoger beroep voor het eerst naar voren gebracht, het vervoer van de schoonmoeder van de betrokkene verband hield met een bezoek aan de huisarts, is niet aannemelijk gemaakt. Bovendien blijkt uit de op 22 juni 2021 ingezonden verklaring niet wanneer die afspraak plaatsvond. Het had in een dergelijke situatie op de weg van de gemachtigde gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen met de - online, dan wel schriftelijk, op te vragen - gegevens omtrent deze afspraak, hetgeen niet is gebeurd. Het hof is van oordeel dat het in dit stadium van de procedure niet wenselijk is de gemachtigde daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen, te meer nu dit verweer pas in hoger beroep is gevoerd en hij daartoe tot en met de zitting de gelegenheid toe heeft gehad. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat het bedrag van de sanctie te matigen.
15. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard. Die beslissing zal dan ook worden bevestigd en aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.