In deze civiele procedure na verwijzing van de Hoge Raad stond centraal de vraag of Frère B.V. de koopovereenkomst stilzwijgend of uitdrukkelijk had bekrachtigd, ondanks het ontbreken van een volmacht bij het sluiten van de overeenkomst. De Hoge Raad had eerder geoordeeld dat voor bekrachtiging is vereist dat de verklaring tot bekrachtiging aan de wederpartij is gericht en deze heeft bereikt.
Het hof oordeelde dat geen van de gedragingen of stellingen van Frère B.V. tegenover Van der Vrande als bekrachtiging konden worden aangemerkt. Ook het feit dat Frère B.V. zich in een eerdere procedure op vernietiging of ontbinding van de overeenkomst beriep, impliceerde geen bekrachtiging. Verder was er geen stilzwijgende bekrachtiging in de onderlinge verhouding, mede omdat Van der Vrande al vroegtijdig bezwaar maakte tegen het ontbreken van volmacht.
Het verzet van [geïntimeerde] slaagde niet, waardoor het verstekarrest van 12 juni 2018 werd bekrachtigd. De aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor de schade van Van der Vrande wegens het ontbreken van volmacht bleef daarmee in stand. De restitutievordering van [geïntimeerde] werd afgewezen. Partijen werden in de proceskosten veroordeeld overeenkomstig de gemaakte afspraken.