ECLI:NL:GHARL:2021:6937

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2021
Publicatiedatum
20 juli 2021
Zaaknummer
21-005710-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 SvOpiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij Opiumwetdelict

De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van heroïne en cocaïne in de periode april 2013 tot mei 2014. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep ontkende de verdachte stellig de tenlastelegging. Het hof nam kennis van de vordering van de advocaat-generaal, die bevestiging van het vonnis met een lagere straf van acht maanden gevangenisstraf bepleitte. Het hof oordeelde echter anders en vernietigde het vonnis omdat het tot een andere bewijsbeslissing kwam.

De bewijsvoering berustte voornamelijk op verklaringen van enkele drugsgebruikers die de verdachte herkenden op basis van een enkelvoudige foto-confrontatie en op een telefoonnummer dat aan de verdachte werd gekoppeld. Het hof achtte deze bewijzen onvoldoende betrouwbaar en vond dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte het tenlastegelegde feit had gepleegd. Daarom sprak het hof de verdachte vrij.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid bij het Opiumwetdelict.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005710-16
Uitspraak d.d.: 14 juli 2021
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 21 oktober 2016 met het parketnummer
18-820083-15 in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 30 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging, in die zin dat het gerechtshof zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest.
Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest.
Het gerechtshof zal dat vonnis vernietigen omdat het gerechtshof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de rechtbank. Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na verbeterde lezing van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode 1 april 2013 tot en met 12 mei 2014 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, hoeveelheden en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of hoeveelheden en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Vrijspraak

Het gerechtshof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het gerechtshof grondt deze beslissing op het volgende.
De verdachte heeft ook ter terechtzitting in hoger beroep stellig ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het aan hem ten laste gelegde feit ingevolge de Opiumwet.
De verdediging heeft in het verlengde daarvan vrijspraak bepleit, op nader in de pleitnota aangevoerde gronden.
Hierover overweegt het gerechtshof het volgende.
Enkele gebruikers van heroïne en/of cocaïne hebben tegenover de politie verklaard dat zij aan de hand van een foto-afdruk, houdende de afbeelding van de verdachte, die persoon herkennen als één van de twee personen van wie zij drugs hebben gekocht. Gelet op de omstandigheid dat de politie hierbij gebruik heeft gemaakt van een enkelvoudige foto-confrontatie, zal het gerechtshof echter met de nodige behoedzaamheid dienen om te gaan met het gebruik van de verklaringen van de drugsgebruikers en de bewijskracht die daaraan toegekend kan worden.
Niet staat vast dat het door enkele van de gebruikers genoemde telefoonnummer
[nummer] , welk telefoonnummer door de politie en door het openbaar ministerie is gekoppeld aan (gebruik door) de verdachte, daadwerkelijk in gebruik is geweest bij de verdachte. Dit nummer stond niet op naam van de verdachte noch blijkt anderszins uit de stukken van het dossier wat de directe link is tussen de verdachte en dit telefoonnummer anders dan dat gebruikers verklaren dat zij via dit nummer hebben besteld bij “ [naam1] ”of “ [naam2] ”. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat telefoonnummer in zijn geheel niet te kennen.
Nu de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit slechts voortvloeit uit de herkenning door middel van een enkelvoudige fotoconfrontatie doch niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel, acht het gerechtshof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan het tenlastegelegde feit schuldig heeft gemaakt.
Dit dient te leiden tot vrijspraak.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. F. van der Maden, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 14 juli 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.