ECLI:NL:GHARL:2021:6937
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij Opiumwetdelict
De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van heroïne en cocaïne in de periode april 2013 tot mei 2014. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep ontkende de verdachte stellig de tenlastelegging. Het hof nam kennis van de vordering van de advocaat-generaal, die bevestiging van het vonnis met een lagere straf van acht maanden gevangenisstraf bepleitte. Het hof oordeelde echter anders en vernietigde het vonnis omdat het tot een andere bewijsbeslissing kwam.
De bewijsvoering berustte voornamelijk op verklaringen van enkele drugsgebruikers die de verdachte herkenden op basis van een enkelvoudige foto-confrontatie en op een telefoonnummer dat aan de verdachte werd gekoppeld. Het hof achtte deze bewijzen onvoldoende betrouwbaar en vond dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte het tenlastegelegde feit had gepleegd. Daarom sprak het hof de verdachte vrij.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid bij het Opiumwetdelict.