Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het meermalen valselijk opmaken en gebruiken van diverse documenten, waaronder een werkgeversverklaring, loonspecificatie, koopcontract, declaratieformulieren en facturen, die vals waren en voorzien van valse handtekeningen. Deze documenten werden gebruikt om hypotheken, financieringen en bouwdepotuitbetalingen te verkrijgen.
De rechtbank had verdachte reeds veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf van 240 uren, maar het hof vernietigde dit vonnis en sprak opnieuw recht. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan valsheid in geschrift en het gebruik van vals geschrift, met een benadelingsbedrag tussen €250.000 en €500.000.
Hoewel het oriëntatiepunt voor de straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden was, legde het hof een taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op, mede vanwege het ontbreken van eerdere veroordelingen, de belangen van de benadeelde partij bij het voortzetten van een betalingsregeling en de overschrijding van de redelijke termijn.
De benadeelde partij had haar vordering tot schadevergoeding ingetrokken, zodat hierover in hoger beroep niet meer werd beslist. Verdachte verscheen niet ter zitting, maar erkende schriftelijk het kwalijke van zijn handelen. Het hof benadrukte dat financiële malaise geen excuus vormt voor het gepleegde strafbare feit.