ECLI:NL:GHARL:2021:7050

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 juli 2021
Publicatiedatum
22 juli 2021
Zaaknummer
200.275.240
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag vader en moeder over minderjarige

In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het verzoek van de vader behandeld om samen met de moeder het gezag over hun minderjarige kind te verkrijgen. Het hof heeft het rapport van de raad voor de kinderbescherming en het beschermingsonderzoek betrokken bij haar beoordeling.

De rechtbank had eerder het verzoek afgewezen, maar het hof oordeelt dat geen onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Ondanks moeizame communicatie en wantrouwen van de moeder jegens de vader, is het uitgangspunt van gezamenlijk gezag passend en in het belang van het kind.

Het hof stelt dat de ouders in staat zijn om afspraken te maken die het belang van het kind dienen en verwacht verbetering door de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling en de hulp aan de moeder. De omgang tussen vader en kind is herstart en verloopt positief.

Daarom vernietigt het hof het eerdere gezagsbesluit en belast het de vader en moeder gezamenlijk met het gezag over de minderjarige. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en sluit aan bij het advies van de raad en het belang van het kind.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader toe en belast vader en moeder gezamenlijk met het gezag over de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.275.240
(zaaknummer rechtbank Gelderland 341496)
beschikking van 22 juli 2021
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.D. Splinter te Houten,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E. Maalsen te Nijmegen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Nijmegen,
verder te noemen: de GI.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 12 november 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
  • het rapport raadsonderzoek van 22 maart 2021;
  • een journaalbericht van mr. Splinter van 10 juni 2021, met producties.
1.3
De mondelinge behandeling heeft op 25 juni 2021 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam1] namens de GI;
  • [naam2] namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij wat is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 12 november 2020, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar (kort gezegd) het gezag over [de minderjarige] . Het hof heeft daarbij verstaan dat de raad ook onderzoek zal doen naar de omgangs- of zorgregeling en dat de raad het onderzoek zal uitbreiden met een beschermingsonderzoek.
2.2
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.3
In het raadsrapport van 22 maart 2021 adviseert de raad het hof om het verzoek
van de vader om de ouders gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , toe te wijzen. De raad heeft verder geconcludeerd dat een ondertoezichtstelling nodig is.
2.4
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 12 april 2021 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar.
2.5
Het hof is net als de raad – en anders dan de rechtbank – van oordeel dat het verzoek van de vader om samen met de moeder te worden belast met het gezag over [de minderjarige] , dient te worden toegewezen. Van de hiervoor onder a. en b. genoemde afwijzingsgronden is niet gebleken. De communicatie tussen de ouders verloopt weliswaar moeizaam, waarbij de moeder vanuit haar zorgen en wantrouwen jegens de vader contact regelmatig volledig uit de weg gaat. Dat rechtvaardigt echter niet dat wordt afgeweken van het uitgangspunt van de wetgever dat ouders gezamenlijk gezag hebben over hun kind(eren).
2.6
Voor gezamenlijk gezag is nodig dat de ouders tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Dat is naar het oordeel van het hof het geval, waarbij bovendien verbetering kan worden verwacht door de betrokkenheid van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling en door de hulp die de moeder ontvangt vanuit [naam3] . De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat de kennismaking met de jeugdbeschermer positief is verlopen en dat zij met vertrouwen naar de toekomst kijkt.
2.7
Gebleken is verder dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] weer is opgestart en dat zij elkaar nu iedere zaterdag zien. Het lukt de moeder het contact tussen de vader en [de minderjarige] in overwegende mate als iets positiefs te zien. Bij de rol die de vader in het leven van [de minderjarige] speelt, past dat hij ook wordt betrokken bij beslissingen die over haar moeten worden genomen en dat hij zelfstandig informatie over [de minderjarige] kan opvragen op school of bij instanties. Het hof is net als de raad van oordeel dat de sterkere positie die de vader bij gezamenlijk gezag heeft, in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht. Daarnaast acht het hof gezamenlijk gezag in het belang van [de minderjarige] vanwege de ruimere mogelijkheden die daarmee voor de GI bestaan binnen de ondertoezichtstelling.

3.De slotsom

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover deze het gezag betreft en beslissen als volgt.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 december 2019 voor zover deze het gezag betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:
belast de vader samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2015 in [woonplaats2] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, K.A.M. van Os-ten Have en E. de Boer, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en op 22 juli 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. K.A.M. van Os-ten Have in tegenwoordigheid van de griffier.