Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2000 op huwelijkse voorwaarden gehuwd en hebben in 2019 echtscheiding aangevraagd. De rechtbank bepaalde partneralimentatie van €7.500,- per maand en de toedeling van de woning aan de man. Beide partijen gingen in hoger beroep over alimentatie, verdeling van woningopbrengst, auto en vergoedingsrechten.
Het hof stelde vast dat de behoefte van de vrouw lager is dan door de rechtbank vastgesteld, uitgaande van de hofnorm en het inkomen van de man. De vrouw wordt geacht vanaf 1 januari 2022 een minimumloon te verdienen. De draagkracht van de man werd berekend in drie perioden, met een afbouwende alimentatieverplichting.
De man heeft investeringen uit erfenis in de woning gedaan die eerst verrekend moeten worden. De auto behoort tot het te verrekenen vermogen en de verkoopopbrengst wordt gedeeld. Voorschotten en eigenaarslasten worden verrekend. De kosten voor verkoopklaar maken van de woning worden afgewezen. De beschikking van de rechtbank wordt deels vernietigd en aangepast.
Uitkomst: Het hof verlaagt de partneralimentatie, verrekent investeringen en voorschotten bij de woningverdeling en wijst verzoeken tot vergoeding van kosten deels toe.