ECLI:NL:GHARL:2021:7114

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 juli 2021
Publicatiedatum
26 juli 2021
Zaaknummer
Wahv 200.246.618/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
  • Beswerda
  • Van Schuijlenburg
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WahvArt. 20a WahvArt. 20d WahvArt. 6:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof herziening procedurele regels over zitting in hoger beroep bestuursstrafrecht

In deze zaak oordeelt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de procedurele vraag of een zitting ambtshalve gehouden moet worden in hoger beroep bestuursstrafrecht wanneer de kantonrechter niet behoorlijk heeft opgeroepen voor een zitting. Het hof stelt vast dat de gemachtigde niet deugdelijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter, waardoor het recht op een zitting is geschonden.

Het hof heroverweegt de eerdere praktijk waarbij het hof in dergelijke gevallen ambtshalve een zitting hield. Het stelt dat het wettelijk uitgangspunt is dat hoger beroep schriftelijk verloopt, tenzij een partij uitdrukkelijk verzoekt om een behandeling ter zitting. Ook bij een eerdere schending van het recht op zitting kan de partij alsnog een zitting verzoeken.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en zal het beroep beoordelen op de stukken, tenzij binnen vier weken na dagtekening van dit arrest een verzoek om zitting wordt ingediend. Deze nieuwe werkwijze geldt volledig voor hoger beroepen ingediend vanaf 1 september 2021. Voor oudere zaken zal het hof partijen vragen of zij een zitting wensen.

Deze uitspraak verduidelijkt en wijzigt de procedurele regels rond zittingen in hoger beroep bestuursstrafrecht, met nadruk op schriftelijke behandeling tenzij expliciet anders verzocht.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en bepaalt dat een zitting in hoger beroep alleen wordt gehouden als hier uitdrukkelijk om wordt verzocht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.246.618/01
CJIB-nummer
: 196674908
Uitspraak d.d.
: 26 juli 2021
Tussenarrestvan de meervoudige kamer op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 11 juli 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 4 december 2020 wordt hier overgenomen.

Het verdere verloop van de procedure

Op 19 januari 2021 is het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 11 juli 2018 ontvangen. Een afschrift daarvan is verstuurd aan de gemachtigde van de betrokkene en aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. Nu het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 11 juli 2018 aan het dossier is toegevoegd, faalt het verweer dat dit proces-verbaal ontbreekt.
2. In hoger beroep voert de gemachtigde verder aan dat hij noch zijn client een uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen.
3.
Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om (...) op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.”
4.
In het dossier bevindt zich een – conform artikel 6:17 Algemene Pro wet bestuursrecht – aan de gemachtigde gerichte brief van de griffier van de rechtbank, gedateerd 8 juni 2018, waarin hij wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 11 juli 2018. Nu de rechtbank niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikt en de uitnodiging niet aangetekend is verzonden, kan het hof niet vaststellen dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Dat brengt mee dat is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv.
5. Tot op heden heeft het hof in gevallen als dit waarin niet overeenkomstig artikel 20a, eerste lid, van de Wahv is verzocht om een behandeling ter zitting, bij tussenarrest bepaald dat de betrokkene (dan wel diens gemachtigde) zal worden uitgenodigd voor een openbare zitting van het hof, tenzij hij of zij laat weten af te zien van de gelegenheid om op een zitting te worden gehoord. Hieraan ligt ten grondslag dat het hof overeenkomstig artikel 20d, eerste lid, van de Wahv dient te doen wat de kantonrechter had behoren te doen, waartoe, in de visie van het hof, ook behoort het overeenkomstig artikel 12, eerste lid, van de Wahv in de gelegenheid stellen van partijen om hun zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. Het hof ziet aanleiding om deze werkwijze te heroverwegen en overweegt daartoe het volgende.
6. Het wettelijk uitgangspunt is dat de procedure in hoger beroep schriftelijk verloopt tenzij een partij overeenkomstig artikel 20a, eerste lid, van de Wahv verzoekt om een behandeling ter zitting. Aan dit uitgangspunt doet de omstandigheid dat de kantonrechter ten onrechte een partij niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt ter zitting toe te lichten niet af. In zodanig geval kan die partij – indien hij zijn standpunt ten overstaan van een rechter ter zitting wil toelichten – overeenkomstig dit artikellid verzoeken om een behandeling ter zitting van het hof. Aldus kan de schending van het uit artikel 12, eerste lid, van de Wahv voortvloeiende recht voldoende worden hersteld. Ambtshalve een zitting houden is daarvoor niet nodig. Het hof constateert dat dit ook overeenkomt met de bestaande praktijk. Op zittingen die na een tussenarrest als hierboven vermeld worden gehouden verschijnt doorgaans namens een betrokkene niemand. Dat is anders wanneer een partij zelf heeft verzocht om behandeling ter zitting van het hof.
7. Het voorgaande brengt mee dat het hof voormelde jurisprudentie herziet, in die zin dat wanneer het vaststelt dat de kantonrechter het uit artikel 12, eerste lid, van de Wahv voortvloeiende recht heeft geschonden, het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen en op de voet van artikel 20d, eerste lid, van de Wahv het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie zal beoordelen. Daarbij wordt betrokken hetgeen in hoger beroep daaromtrent verder is aangevoerd. Voortaan zal slechts nog een zitting wordt gehouden wanneer daarom uitdrukkelijk overeenkomstig artikel 20a, eerste lid, van de Wahv is verzocht.
8. Het hof gaat ervan uit dat de inhoud van dit arrest per 1 september 2021 genoegzaam bekend mag worden verondersteld. Dit betekent dat de in dit arrest neergelegde regel ten volle zal gelden voor hoger beroepen die zijn ingesteld ingaande 1 september 2021. Het hof zal in voorkomend geval ten aanzien van hoger beroepen als hier aan de orde, die zijn ingediend vóór 1 september 2021, bij tussenarrest aan partijen vragen om aan te geven of om behandeling ter zitting wordt verzocht. Een dergelijk verzoek zal worden gehonoreerd, hoewel dit niet op één van de bij artikel 20a, eerste lid, van de Wahv voorgeschreven momenten is gedaan. Indien op de in het tussenarrest gestelde vraag geen reactie volgt zal het hof het hoger beroep op de stukken afdoen.
9. Het hof zal de gemachtigde de gelegenheid geven bij de griffie van het hof te vragen om een behandeling ter zitting van het hof te Leeuwarden. Wanneer binnen vier weken na dagtekening van deze uitspraak geen verzoek wordt ontvangen, wijst het hof zonder een behandeling ter zitting eindarrest.

De beslissing

Het gerechtshof:
stelt de gemachtigde in de gelegenheid om
binnen vier weken na dagtekening van dit arrestte verzoeken om een behandeling ter zitting;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit tussenarrest is gewezen door mr. Beswerda, mr. Van Schuijlenburg en mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.