ECLI:NL:GHARL:2021:7519

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 juli 2021
Publicatiedatum
5 augustus 2021
Zaaknummer
21-001907-18
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte diefstal geld uit parkeerautomaat wegens onvoldoende bewijs

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte was veroordeeld voor diefstal van geld uit een parkeerautomaat en vrijgesproken voor een tweede tenlastelegging. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het tweede feit en vernietigde het vonnis voor zover vatbaar voor hoger beroep.

De verdachte ontkende stellig de diefstal en verwees naar een alternatieve dader die door hemzelf, zijn vriendin en een getuige werd genoemd. De getuige had zich schuldig gemaakt aan vernieling van de parkeerautomaat, wat de diefstal mogelijk maakte. Camerabeelden toonden een dader die door twee politiemedewerkers als verdachte werd herkend, maar het hof vond deze herkenning onvoldoende overtuigend vanwege het ontbreken van concrete kenmerken en onduidelijkheid over de wijze van herkenning.

Het gerechtshof concludeerde dat er gerede twijfel bestaat over de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal. Daarom sprak het hof verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en de verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen het tweede feit.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van diefstal wegens onvoldoende overtuigend bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001907-18
Uitspraak d.d.: 29 juli 2021
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2018 met het parketnummer 16-147783-17 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 15 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.
Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. N.J.H. Lina, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 aan de verdachte ten laste gelegde feit, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen, nu daartegen op grond van het bepaalde in artikel 404, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep mogelijk is. Het gerechtshof zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder 2 aan hem ten laste gelegde feit.
Ter zake van het onder 1 aan hem ten laste gelegde feit is de verdachte veroordeeld tot een
taakstraf voor de duur van tachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door veertig dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met een proeftijd van twee jaren.
Het gerechtshof zal dat vonnis, voor zover dat vatbaar is voor hoger beroep, vernietigen omdat het gerechtshof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de politierechter.
Het gerechtshof zal daarom in zoverre opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd, voor zover hier van belang, dat:
1.
hij op of omstreeks 20 november 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (ongeveer 3000 euro), in elk geval enig geldbedrag en/of goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
Het gerechtshof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdedigingsbelang.

Vrijspraak

Het gerechtshof acht niet overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het gerechtshof grondt deze beslissing op het volgende.
De verdachte heeft zowel in het verhoor bij de politie als ter terechtzittingen van de politierechter en het gerechtshof stellig ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem ten laste gelegde diefstal van geld. In het verlengde hiervan is door de verdediging vrijspraak bepleit, op nader in het pleidooi aangevoerde gronden.
Van de diefstal - uit een parkeerautomaat - zijn camerabeelden aanwezig die onderdeel van het strafdossier vormen. De persoon die op die beelden zichtbaar is als de dader van de diefstal is door twee politiemedewerkers herkend als zijnde de verdachte.
Onderdeel van het bewijsverweer van de verdachte en de verdediging is dat zowel de verdachte, als de vriendin van de verdachte als de getuige [getuige] (welke getuige zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van de parkeerautomaat, welke vernieling de daarop volgende diefstal daaruit mogelijk heeft gemaakt), na het aan hun tonen van de camerabeelden en/of foto-afdrukken van het incident, een andere persoon dan de verdachte hebben genoemd als de tweede persoon die - naast [getuige] - actief in beeld is bij die geldautomaat. Alle drie noemen zij daarbij dezelfde naam.
De herkenning van de verdachte door de beide politiemedewerkers acht het gerechtshof uiteindelijk onvoldoende overtuigend, mede nu daarin in het geheel niet is aangegeven aan de hand van welke (concrete) kenmerken van de waargenomen persoon een herkenning van die persoon - als zijnde de verdachte - heeft plaatsgevonden. Eén van de beide herkenningen komt daarnaast niet spontaan tot stand, maar eerst na nadere bestudering, waarbij niet duidelijk is geworden of deze herkenning nu heeft plaatsgevonden op basis van camerabeelden of op basis van (minder duidelijke) foto-afdrukken. Daardoor ontstaat gerede twijfel aan de betrokkenheid van de verdachte bij de aan hem ten laste gelegde diefstal.
Dit dient te leiden tot vrijspraak.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover dat vatbaar is voor hoger beroep, en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. M.B. de Wit, voorzitter,
mr. W. Foppen en mr. T.H. Bosma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 29 juli 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Foppen en Bosma zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.