Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:7619

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 augustus 2021
Publicatiedatum
6 augustus 2021
Zaaknummer
21-001138-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 SvArt. 6:6:25 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij wapenhandel en hennepteelt

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 10 augustus 2021 het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland van 19 februari 2019, waarin verdachte werd veroordeeld voor wapenhandel en hennepteelt. De rechtbank had een ontnemingsvordering toegewezen tot een bedrag van €22.230,-, wat het hof heeft bevestigd.

Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat er een overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden van vijf maanden sinds het instellen van het hoger beroep op 5 maart 2019. Deze vertraging werd mede veroorzaakt door de landelijke Covid-19 maatregelen die het plannen van getuigenverhoren bemoeilijkten. Het hof achtte deze omstandigheden bijzonder en onvoorzienbaar, waardoor de overschrijding niet geheel ten nadele van verdachte mocht worden gerekend.

Voorts heeft het hof de beslissing van de rechtbank aangevuld met de bepaling van de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op grond van artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, vastgesteld op 444 dagen. Hiermee is voldaan aan de gewijzigde wettelijke voorschriften die na de uitspraak van de rechtbank zijn ingevoerd.

Het hof heeft de beslissing van de rechtbank bevestigd en de gronden aangevuld zoals hierboven vermeld. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de raadsheren en griffier tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Bevestiging ontnemingsvordering van €22.230,- met bepaling van maximale gijzelingstermijn van 444 dagen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001138-19
Uitspraak d.d.: 10 augustus 2021
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland zittingsplaats Arnhem, van 19 februari 2019 met parketnummer 05-880424-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[voornamen & achternaam verdachte A],

geboren op [geboortedatum en -plaats],
wonende aan de [woonplaats].

Het hoger beroep

De betrokkene en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 januari 2020 en 27 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. E.J.M.J. Damen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij beslissing van 19 februari 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van – kort gezegd – wapenhandel en hennepteelt veroordeeld. Deze veroordeling is in stand gebleven in het arrest van dit hof van 10 augustus 2021, ressortsparketnummer 21-001138-19.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op juiste gronden heeft beslist. Het hof constateert wel dat voor de procedure in hoger beroep een tweetal gronden moeten worden toegevoegd. Het hof zal de beslissing daarom bevestigen onder aanvulling van de gronden. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof constateert dat bij het wijzen van dit arrest op 10 augustus 2021 een periode van meer dan twee jaren is verstreken sinds het instellen van het hoger beroep op 5 maart 2019. Het hof stelt de mate van overschrijding daarbij vast op een periode van vijf maanden. In dat verband heeft het hof er tevens acht op geslagen dat namens verdachte in hoger beroep in de hoofdzaak is verzocht om nader onderzoek in de vorm van getuigenverhoren bij de raadsheer-commissaris. Bij de planning van deze getuigenverhoren is, door de landelijke maatregelen die zijn genomen in het kader van de bestrijding van het Covid19-virus en welke maatregelen het plannen en behandelen van strafzaken in aanzienlijke mate hebben beperkt, vertraging ontstaan. Het hof is daarom van oordeel dat deze situatie een zodanig bijzondere en onvoorzienbare omstandigheid betreft, dat de vertraging die daarvan het gevolg is niet in zijn geheel in het voordeel van verdachte kan of moet worden gerekend. Het hof ziet daarin en in de relatief beperkte mate van overschrijding aanleiding om in dit geval te volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof constateert voorts dat artikel 36e, elfde lid van het Wetboek van Strafrecht thans voorschrijft dat de rechter bij de oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de uitspraak de duur van de gijzeling zal bepalen die op grond van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafrecht ten hoogste kan worden gevorderd. De wijziging van 36e van het Wetboek van Strafrecht dateert van na de beslissing van de rechtbank. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom aanvullen, met dien verstande dat het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaalt op 444 dagen.
Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank met aanvulling van de bovenstaande gronden.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 444 dagen.
Aldus gewezen door
mr. R.D.J. Visschers, voorzitter,
mr. R.M. Maanicus en mr. D. Visser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier,
en op 10 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.