ECLI:NL:GHARL:2021:78

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 januari 2021
Publicatiedatum
6 januari 2021
Zaaknummer
19/01547
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ambtshalve vermindering aanslag inkomstenbelasting 2011 met compromis over eigen woningkosten

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, inclusief heffingsrente. Hij verzocht om ambtshalve vermindering, maar de Inspecteur wees dit af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond vanwege te late indiening buiten de vijfjaarstermijn.

Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de digitale zitting bereikten partijen een compromis over de inhoudelijke kwestie van aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning, waarbij een bedrag van €9.600 aan kosten alsnog in mindering werd gebracht op het inkomen van belanghebbende.

Het hof stelde het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op €33.894 en achtte het hoger beroep gegrond voor zover het de vermindering van de aanslag betreft. De heffingsrente werd dienovereenkomstig verminderd. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Het hoger beroep werd daarmee toegewezen en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2011 verminderd tot een belastbaar inkomen van €33.894 inclusief aanpassing heffingsrente.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer 19/01547
uitspraakdatum: 5 januari 2021
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 oktober 2019, nummer AWB 19/748, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Daarbij is een beschikking heffingsrente vastgesteld.
1.2.
Belanghebbende heeft een verzoek om ambtshalve vermindering ingediend. De Inspecteur heeft dat verzoek afgewezen en heeft het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter (digitale) zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Feiten

De Rechtbank heeft beslist dat de Inspecteur het verzoek van belanghebbende om een ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen omdat, gelet op het bepaalde in artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in combinatie met artikel 45aa, onder a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, het te laat - buiten de vijfjaarstermijn - is ingediend. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

3.Geschil

In geschil is of belanghebbende tijdig een verzoek om ambtshalve vermindering heeft ingediend. Inhoudelijk zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning in geschil.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Ter (digitale) zitting van het Hof zijn partijen betreffende de inhoudelijke kwestie - aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning - tot een compromis gekomen, inhoudende dat alsnog een bedrag van € 9.600 aan kosten in aanmerking zal worden genomen, welk bedrag volledig in mindering zal worden gebracht op het inkomen van belanghebbende. Het Hof zal partijen daarin volgen.
4.2.
Het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende, tevens verzamelinkomen, moet worden vastgesteld op € 43.494 -/- € 9.600 = € 33.894.
4.3.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslag betreft.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Belanghebbende heeft verklaard geen aanspraak te maken op een proceskostenvergoeding. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de terugbetaling van het griffierecht.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;
– vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur;
– willigt het verzoek tot ambtshalve vermindering in;
– vermindert de aanslag IB?PVV 2011 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.894;
– vermindert het verzamelinkomen tot € 33.894;
– vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt te weten € 47 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 128 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Linssen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2021.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De voorzitter,
(I. Linssen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 januari 2021.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.