ECLI:NL:GHARL:2021:7948

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 augustus 2021
Publicatiedatum
18 augustus 2021
Zaaknummer
Wahv 200.273.339/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15a RVV 1990Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor het niet direct vrijmaken van spoorwegovergang

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het oprijden van een spoorwegovergang zonder deze direct vrij te maken, wat plaatsvond op 19 december 2018 te Baarn. De betrokkene stelde in hoger beroep dat de overweg wel vrij was en dat de sanctie onterecht was opgelegd. Haar echtgenoot, bestuurder ten tijde van de overtreding, verklaarde kort achter een voorganger te hebben gereden terwijl de overweg vrij was.

Het hof oordeelt dat het volgen van een voorganger op korte afstand het risico inhoudt dat de overweg niet direct vrijgemaakt kan worden, zeker als de voorganger afremt. Dit is een gedraging in strijd met artikel 15a, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. De betrokkene erkende dat haar echtgenoot kort achter de voorganger reed, waarmee de overtreding vaststaat.

De betrokkene verzocht tevens om seponering wegens termijnoverschrijding, maar het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting niet is overschreden. De sanctie van €230 is terecht opgelegd en de beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd.

Uitkomst: De sanctie van €230 voor het niet direct vrijmaken van de spoorwegovergang wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.273.339/01
CJIB-nummer
: 222734905
Uitspraak d.d.
: 18 augustus 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 19 mei 2021 is nog een brief van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “een overweg opgaan, terwijl men niet direct kan doorgaan en deze niet geheel vrij kan maken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 december 2018 om 10.54 uur op de Torenlaan in Baarn met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat de uitleg die was gegeven bij de kantonrechter kennelijk niet duidelijk genoeg was, en dat daarom hoger beroep wordt ingesteld. Haar echtgenoot, ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig, heeft uitgelegd dat hij inderdaad kort achter zijn voorganger de overweg opreed, maar dat deze overweg voor beide auto’s geheel vrij was om te rijden. De ambtenaar noteerde dat de betrokkene kort achter zijn voorganger reed. Dan moet zijn waarneming wel dwars op de rijrichting zijn geweest en dan moet hij ook hebben kunnen zien dat deze voorganger na het passeren van de overweg zonder enige noodzaak afremde. Dat is helaas niet in het proces-verbaal opgenomen. De betrokkene voert verder aan dat de overweg veilig door meerdere auto’s gebruikt kan worden en het feit dat een auto voor je ook gebruikt maakt van de overweg houdt niet automatisch in dat de overweg dan niet vrij zou zijn. Tot slot verzoekt de betrokkene om de zaak te seponeren in verband met termijnoverschrijding. Er ontstaat rechtsongelijkheid nu er na ruim 55 weken nog geen uitspraak is gedaan, terwijl de verweerder zich aan een termijn van 2 weken dient te houden.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag, doordat voor genoemd voertuig al een ander voertuig over de overweg met drie spoorbanen reed, dat de bestuurder van genoemd voertuig, de overweg was opgegaan zonder dat de overweg door zijn voorganger al vrij was gemaakt. Ik zag dat genoemd voertuig niet direct in 1 keer kon oversteken, maar kort achter zijn voorganger aan reed.”
4. Deze gedraging betreft een overtreding van artikel 15a, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 dat luidt:
“Weggebruikers mogen een overweg opgaan, indien zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen vrijmaken.”
5. De betrokkene erkent dat haar echtgenoot vlak achter de voorganger de overweg is opgereden. Hiermee kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Anders dan de betrokkene veronderstelt, houdt de omstandigheid dat een auto vlak voor de bestuurder gebruik maakt van de overweg in dat de overweg niet vrij is. Immers, wanneer deze auto afremt, is het voor de volgende bestuurder niet meer mogelijk om de overweg vrij te maken. Daar dient een bestuurder altijd rekening mee te houden bij het oprijden van een overweg. Uit het verweer van de betrokkene blijkt dat dit in dit geval ook aan de orde was, aangezien de betrokkene aangeeft dat de voorganger zonder enige noodzaak afremde na het passeren van de overweg.
6. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht en daarvoor terecht een sanctie is opgelegd.
7. Ten aanzien van het verzoek om de inleidende beschikking te vernietigen in verband met termijnoverschrijding overweegt het hof als volgt. In navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters heeft het hof bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg - inclusief het administratief beroep - langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is geschonden.
8. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting niet is overschreden.
9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.