ECLI:NL:GHARL:2021:8045

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 augustus 2021
Publicatiedatum
20 augustus 2021
Zaaknummer
Wahv 200.295.097/01, 2000.295.098/011 en 200.295.099/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet stellen zekerheid volgens Wahv

Betrokkene stelde beroep in tegen beslissingen van de kantonrechter die haar beroepen niet-ontvankelijk verklaarden wegens het niet stellen van zekerheid voor betaling van sancties en administratiekosten zoals vereist door artikel 11 van Pro de Wahv.

Het hof overwoog dat de officier van justitie betrokkene op juiste wijze had geïnformeerd over de verplichting tot zekerheidstelling via brieven van 4 en 21 maart 2021, die voldeden aan de wettelijke eisen. Het feit dat de brieven niet ondertekend waren of dat de bezorging enkele dagen later plaatsvond, deed hieraan niet af.

De betrokkene voerde klachten aan over de behandeling van haar klachten door de kantonrechter en de adressering van uitspraken, maar het hof oordeelde dat deze klachten niet tot een ander oordeel leiden. Ook het argument dat zekerheid niet nodig zou zijn zolang de officier van justitie het beroep nog zou heroverwegen, werd verworpen omdat de wettelijke regeling vereist dat zekerheid wordt gesteld voordat het beroep aan de kantonrechter wordt voorgelegd.

Het hof concludeerde dat het uitblijven van zekerheid niet verschoonbaar was en bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de kantonrechter.

Uitkomst: De beroepen van betrokkene werden niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid, en deze beslissing werd bevestigd door het gerechtshof.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummers
: Wahv 200.295.097/01, 2000.295.098/011 en 200.295.099/01
CJIBnummers
: 236857783, 236943616 en 236941942
Uitspraak d.d.
: 20 augustus 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissingen van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 29 april 2021, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen de beslissingen van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissingen van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen verweerschriften in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat geen zekerheid gesteld is.
2. De betrokkene stelt dat de kantonrechter niet is ingegaan op haar klachten. Verder zijn de uitspraken niet naar de juiste persoon gestuurd.
3. De klacht dat de uitspraken niet naar de juiste persoon zijn gestuurd behoeft geen bespreking. De betrokkene heeft tijdig hoger beroep ingesteld zodat zij door een -eventuele- toezending van de uitspraken van de kantonrechter naar een ander dan de juiste persoon niet in haar belangen is geschaad.
4. Met betrekking tot de klachten waarop de kantonrechter volgens de betrokkene niet is ingegaan stelt het hof vast dat deze klachten betrekking hebben op de haar toegezonden zekerheidsbrieven. De brief van de betrokkene waarin de klachten zijn geuit is gedateerd 16 maart 2021 maar dat die brief ook (voorafgaand aan de beslissing van de kantonrechter) aan de geadresseerde, de CVOM, is verzonden blijkt niet uit de stukken. De betrokkene heeft dat ook niet aannemelijk gemaakt. Het bezwaar dat de kantonrechter niet op deze klachten is ingegaan faalt om deze reden.
5. Artikel 11 van Pro de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. De kantonrechter kan slechts tot het oordeel komen dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn omdat geen zekerheid is gesteld na de vaststelling dat de officier van justitie de betrokkene op juiste wijze heeft gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling. In dat kader zal het hof de klachten van de betrokkene met betrekking tot de toegezonden zekerheidsbrieven beoordelen.
6. De officier van justitie heeft de betrokkene bij brieven van 4 maart 2021 en 21 maart 2021 op juiste wijze geïnformeerd over de verplichting tot zekerheidstelling. Deze brieven voldoen aan de daaraan te stellen eisen (vergelijk het arrest van het hof van 30 november 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2018:10471). Dat de brieven niet zijn ondertekend, maakt niet dat deze als niet geldig moeten worden beschouwd.
7. Dat de eerste zekerheidsbrieven van 4 maart 2021 eerst op dinsdag 8 maart 2021 zouden zijn bezorgd, maakt niet dat de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zekerheid te stellen. Bepalend is, zo bepaalt artikel 11, vierde lid, van de Wahv en zo is ook weergegeven in de brieven, de dag van verzending van de mededeling.
8. In de brieven van de officier van justitie is vermeld dat bij het uitblijven van betaling niet-ontvankelijkverklaring kan volgen. Het is aan de kantonrechter voorbehouden om de niet-ontvankelijkverklaring uit te spreken. Daarop kan de officier van justitie niet vooruit lopen. Met deze zinsnede, waarin ook het bepaalde in artikel 11, vierde lid, laatste volzin van de Wahv op verkorte wijze is weergegeven, heeft de officier van justitie de betrokkene op juiste wijze gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet of niet tijdig stellen van zekerheid.
9. De klachten met betrekking tot de zekerheidsbrieven betreffen verder de in de eerste zekerheidsbrief opgenomen zin dat de officier van justitie het beroep opnieuw gaat bekijken voordat het naar de kantonrechter wordt gestuurd. Zolang het beroep niet wordt doorgestuurd is geen zekerheidstelling nodig, volgens de betrokkene. Ook wordt niet vermeld wat de officier van justitie met het beroep gaat doen.
10. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wahv wordt het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie ingediend bij de officier van justitie. De officier van justitie van justitie brengt, ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wahv, het beroepschrift aan de rechtbank ter kennis binnen zes weken nadat de indiener van het beroepschrift zekerheid heeft gesteld. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde termijn zo nodig met vier weken kan worden verlengd indien de officier van justitie aan de indiener van het beroepschrift tegemoetgekomen is.
11. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de officier van justitie het tegen zijn beslissing ingediende beroepschrift kan beoordelen voordat hij dit doorstuurt naar de kantonrechter. Deze beoordeling ontslaat de indiener van het beroepschrift op zichzelf niet van de verplichting tot het stellen van zekerheid. Als de officier van justitie in deze fase aan de indiener van het beroepschrift tegemoet komt, kan dit wel gevolgen hebben voor het stellen van zekerheid. Daarmee kan rekening worden gehouden voordat het beroep (indien nodig) naar de kantonrechter wordt doorgestuurd.
12. De formulering van de brieven is niet zodanig dat redelijkerwijs twijfel kan bestaan aan de verplichting tot zekerheidstelling. Nu de officier van justitie niet aan de betrokkene is tegemoet gekomen, heeft hij juist gehandeld door de beroepen, nadat de termijn voor het stellen van zekerheid was verstreken, door te sturen naar de kantonrechter.
13. De overige bezwaren met betrekking tot de brieven regarderen niet de verplichting tot het stellen van zekerheid en behoeven daarom in het kader van onderhavige beroepen geen bespreking.
14. De conclusie uit het voorgaande is dat het uitblijven van het stellen van zekerheid niet verschoonbaar is. De kantonrechter heeft de beroepen daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
15. Het hof bevestigt de beslissingen van de kantonrechter.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissingen van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.