ECLI:NL:GHARL:2021:8064

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 juli 2021
Publicatiedatum
23 augustus 2021
Zaaknummer
TBS P21/0088
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6:6:12 lid 3 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlenging terbeschikkingstelling met twee jaar ondanks weigering medewerking onderzoek

De terbeschikkinggestelde was veroordeeld voor moord en verbleef in forensische psychiatrische klinieken. Na een moeizame behandelrelatie en beëindiging van het resocialisatietraject in een eerdere kliniek, werd hij overgeplaatst naar een andere kliniek voor een nieuwe behandelpoging. Hij weigerde aanvankelijk mee te werken aan onderzoeken van externe deskundigen, uit gebrek aan vertrouwen en vermoedens over hun onafhankelijkheid.

De terbeschikkinggestelde stelde zich later wel bereid om mee te werken, maar het hof oordeelde dat dit niet leidt tot een beperking van de verlenging tot één jaar. Het hof benadrukte het uitgangspunt dat indien behandeling langer duurt dan een jaar, verlenging met twee jaar passend is. De rechtbank had de terbeschikkingstelling reeds met twee jaar verlengd en het hof bevestigde deze beslissing met aanvullende gronden.

Het hof verbeterde tevens de beslissing van de rechtbank door expliciet te stellen dat het verzoek tot onderzoek naar voorwaardelijke beëindiging van de verpleging impliciet was afgewezen. Gezien het hoge recidiverisico, de moeizame behandelrelatie en het begin van een nieuwe behandelpoging acht het hof een termijn van twee jaar passend om de voortgang van de behandeling en resocialisatie te waarborgen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar ondanks de aanvankelijke weigering van medewerking aan onderzoeken.

Uitspraak

TBS P21/0088
Beslissing d.d. 29 juli 2021
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1971,
verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [kliniek 1] .
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2021, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar en – impliciet – afwijzing van het verzoek de mogelijkheden van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te laten onderzoeken door de reclassering.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
  • het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
  • de beslissing waarvan beroep;
  • de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 29 januari 2021;
  • de brief van de toenmalige raadsman mr. K.D. Regter van 26 maart 2021, inhoudende het verzoek twee externe deskundigen onderzoek te laten doen naar onder meer de aanwezigheid van de validiteit van de diagnose “waanstoornis” bij de terbeschikkinggestelde op basis van artikel 6:6:12, derde lid van het Wetboek van Strafvordering;
  • het e-mailbericht van advocaat-generaal mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit van 10 april 2021, inhoudende haar afwijzende reactie op voormeld verzoek;
  • het e-mailbericht van de griffie van 15 april 2021, inhoudende dat voormeld verzoek niet op voorhand is toegewezen door de voorzitter maar desgewenst ter zitting kan worden herhaald;
  • de aanvullende informatie van FPC [kliniek 2] van 29 april 2021;
  • de aanvullende informatie van FPC [kliniek 1] van 6 mei 2021;
  • het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van dit gerechtshof van 20 mei 2021;
  • de wettelijke aantekeningen over het eerste en tweede kwartaal van 2021.
Het hof heeft ter zitting van 15 juli 2021 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. W.C. Alberts, advocaat te 's-Gravenhage, en de advocaat-generaal mr. V. Smink.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw
Het resocialisatietraject van de terbeschikkinggestelde werd ten onrechte beëindigd tijdens zijn verblijf in FPC [kliniek 2] . Hij had geen enkel vertrouwen in deze kliniek en hij dacht dat de externe deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] waren verbonden aan deze kliniek. Daarom weigerde hij mee te werken aan hun onderzoeken. Hij is nu wel bereid om mee te werken aan onderzoeken van externe deskundigen. De terbeschikkinggestelde heeft uitzicht nodig op een onafhankelijke toets, namelijk pro justitiarapportages van onafhankelijke deskundigen. Gelet op de lange duur van zijn terbeschikkingstelling is het ook van belang dat er zicht blijft op de voortgang van de behandeling. De raadsvrouw heeft bepleit de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van één jaar en daarbij te overwegen dat voor de volgende verlengingsprocedure alsnog pro justitiarapportages worden opgesteld door externe deskundigen.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De terbeschikkinggestelde heeft eerder verbleven in FPC [kliniek 2] waar de behandelrelatie met hem is verslechterd en hij uiteindelijk niet meer is behandeld. Na de afwijzing van de aanvraag van de LFPZ-status voor de terbeschikkinggestelde is hij overgeplaatst naar FPC [kliniek 1] voor een nieuwe behandelpoging. Uit de aanvullende informatie van deze kliniek blijkt dat er daar ook nog sprake is van een moeizame behandelrelatie. Er is wel contact met de terbeschikkinggestelde maar de gesprekken met hem hebben weinig diepgang. Dit maakt het moeilijk om daadwerkelijk tot een behandeling te komen. Het recidiverisico is nog steeds hoog. Er zijn grote verschillen van inzicht met betrekking tot – onder meer – de vormgeving van de resocialisatie van de terbeschikkinggestelde, wat het moeilijk maakt een resocialisatietraject op te starten. Conform het advies van FPC [kliniek 2] heeft FPC [kliniek 1] geadviseerd de terbeschikkingstelling te verlengen met een twee jaar, waartoe de rechtbank ook heeft besloten. Er is geen reden om daarvan af te wijken. De behandeling van de terbeschikkinggestelde zal nog meer dan een jaar vergen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.
Het oordeel van het hof
Verbeterde lezing van de beslissing van de rechtbank
Uit de pleitnotitie van mr. K.D. Regter die is gevoegd bij het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg, blijkt dat de toenmalige raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft verzocht de mogelijkheden van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te laten onderzoeken door de reclassering. Uit de verlengingsbeslissing van de rechtbank volgt dat zij dit verzoek impliciet heeft afgewezen. De rechtbank heeft echter verzuimd de afwijzing van dit verzoek in (het dictum van) haar beslissing op te nemen. Het hof leest de beslissing van de rechtbank in die zin verbeterd.
Bevestiging van de verlengingsbeslissing van de rechtbank
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van twee jaren. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met aanvulling van het volgende.
Het hof stelt vast dat de terbeschikkinggestelde bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2003 is veroordeeld ter zake van moord. Dit misdrijf is gericht tegen of veroorzaakt gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Het hof heeft als uitgangspunt dat, wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling van de terbeschikkinggestelde meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
Naar het oordeel van het hof is de weigering van de terbeschikkinggestelde om zijn medewerking te verlenen aan voormelde onderzoeken geen reden om de verlengingsduur van de terbeschikkingstelling tot één jaar te beperken. Dat hij zich ter zitting alsnog bereid heeft verklaard mee te werken aan onderzoeken leidt niet tot een ander oordeel, evenmin als het gestelde over de noodzaak een impasse te doorbreken en over het gevaar om gegevens te gebruiken van [kliniek 2] , waar de terbeschikkinggestelde tot voor kort verbleef. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de terbeschikkinggestelde recent is overgeplaatst naar een andere kliniek en dat hij thans aan het begin staat van een nieuwe behandelpoging. Het valt dan ook niet te verwachten dat er over een jaar al geschikte alternatieven zijn om de terbeschikkinggestelde te kunnen laten functioneren in de maatschappij zonder de structuur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Dit zal ook het geval zijn als FPC [kliniek 1] het eerder door het Pieter Baan Centrum gegeven advies volgt, kort gezegd, inhoudende dat verder onderzoek naar de diagnose weinig zinvol is, dat het accent minder op behandeling moet liggen en meer op nagaan wat nodig is om te resocialiseren. Ook bij die koers zal medewerking van de terbeschikkinggestelde noodzakelijk zijn, die hij in de huidige kliniek echter tot nu toe structureel weigert.

Beslissing

Het hof:
Bevestigtmet aanvulling van gronden zoals hiervoor is overwogen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2021 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde
[terbeschikkinggestelde].
Aldus gedaan door
mr. M.E. van Wees als voorzitter,
mr. M.J. Vos en mr. D. Visser als raadsheren,
en dr. P.K.J. Ronhaar en drs. I. Breukel als raden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Hermans als griffier,
en op 29 juli 2021 in het openbaar uitgesproken.
Mr. M.E. van Wees en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.