Het huwelijk van partijen is in 2019 ontbonden door echtscheiding. De rechtbank had het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie afgewezen. De vrouw ging in hoger beroep en verzocht het hof om vaststelling van partneralimentatie vanaf 1 mei 2019.
Het hof beoordeelde de behoefte van de vrouw, vastgesteld op € 3.164,- netto per maand in 2020, en stelde vast dat zij behoeftig is omdat haar inkomen uit loondienst en zzp-werk niet volledig in deze behoefte voorziet. De man voerde verweer en betwistte de behoeftigheid en draagkrachtberekening.
Het hof nam de gemiddelde winst van de man uit zijn eenmanszaak over de jaren 2018-2020 als redelijke draagkracht en hield rekening met fiscale aspecten en woonlasten. Een jusvergelijking toonde aan dat bij een alimentatie van € 1.335,- de vrouw beter af zou zijn dan de man, wat onredelijk is. Daarom stelde het hof de alimentatie vast op € 810,- bruto per maand vanaf 7 mei 2020, met indexering tot € 834,- per maand vanaf 1 januari 2021.
De bestreden beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.