Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot diefstal met braak in een woning te [plaats]. De rechtbank had een gevangenisstraf van 2 maanden opgelegd. Het hof bevestigt de bewezenverklaring en de overige beslissingen van de rechtbank, maar vernietigt het vonnis voor wat betreft de strafoplegging.
De verdediging voerde aan dat de getuigenverklaringen onvoldoende bewijs boden dat verdachte daadwerkelijk bij de poging tot inbraak betrokken was. Het hof oordeelt echter dat de verklaringen in samenhang met de verklaring van de medeverdachte en het feit dat verdachte in de nabijheid van de plaats delict werd gezien, voldoende wettig en overtuigend bewijs vormen. Ontlastende elementen zoals het ontbreken van een match van handpalmafdrukken en werktuigsporen worden door het hof niet als doorslaggevend beschouwd.
Het hof houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, die met ongeveer een jaar is overschreden zonder bijzondere omstandigheden. Hierdoor wordt de straf verminderd van 8 naar 7 weken gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest. Gelet op de ernst van het feit en het strafrechtelijk verleden van verdachte acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.