ECLI:NL:GHARL:2021:8218

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 augustus 2021
Publicatiedatum
27 augustus 2021
Zaaknummer
Wahv 200.269.382/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor negeren rood verkeerslicht bij statische controle

De betrokkene werd beboet wegens het negeren van een rood verkeerslicht op de Erasmusweg in ’s-Gravenhage tijdens een statische controle op 9 oktober 2018. De kantonrechter legde een sanctie van €230,- op, maar het hof vernietigde deze beslissing vanwege het ontbreken van een volledig proces-verbaal van de zitting. Vervolgens beoordeelde het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

De gemachtigde voerde aan dat de gedraging onvoldoende was geïndividualiseerd en dat er wel een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond bij een statische controle. Het hof oordeelde dat de inleidende beschikking voldoende gegevens bevatte om verweer te voeren en dat de ambtenaar in een onopvallend voertuig zonder stopmiddelen zat, waardoor geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond.

De keuze van de ambtenaar om de controle op deze wijze uit te voeren kan slechts marginaal worden getoetst en werd door het hof aanvaard. Daarom mocht de sanctie terecht aan de kentekenhouder worden opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep tegen de sanctie ongegrond omdat geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
:
CJIB-nummer
: 220502641
Uitspraak d.d.
: 27 augustus 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 19 september 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

Het tussenarrest

Bij tussenarrest van 11 juni 2021 heeft het hof de griffier van de rechtbank in de gelegenheid gesteld om het (volledige) proces-verbaal van de zitting van 19 september 2019 aan de griffier van het hof te verstrekken. De inhoud van dat arrest wordt hier als ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

De griffier van de rechtbank heeft het hof laten weten dat de uitspraak van 19 september 2019 tevens het proces-verbaal van de zitting is.

De beoordeling

1. Het hof heeft de griffier van de rechtbank verzocht om een volledig proces-verbaal van de zitting van 19 september 2019, dat wil zeggen een proces-verbaal dat verder is uitgewerkt dan het enkel opnemen van de standpunten van de betrokkene en van de officier van justitie in de uitspraak. De griffier van de rechtbank heeft niet voldaan aan dit verzoek van het hof. Het hof verbindt hieraan de gevolgtrekking dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal deze beslissing daarom vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De andere bezwaren die zijn aangevoerd tegen de beslissing van de kantonrechter behoeven daarmee geen bespreking meer.
2. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op
9 oktober 2018 om 08.34 uur op de Erasmusweg in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
3. De gemachtigde voert aan dat de gedraging onvoldoende individualiseerbaar is, nu de verbalisant in het zaakoverzicht geen adequate locatie heeft opgegeven. Aan het zaakoverzicht komt geen bijzondere bewijskracht toe. De gemachtigde voert in dit verband aan dat zich op 8 plaatsen op de Erasmusweg verkeerslichten bevinden. Voorts voert de gemachtigde aan dat er een reële mogelijkheid was tot staandehouding. Juist bij een statische controle bestaat een reële mogelijkheid tot staandehouding, omdat deze gepland is en uitsluitend de gekozen werkwijze van de verbalisant in de weg staat aan het wel of niet staandehouden.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 3,00 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. Plaatsaanduiding verkeerslicht: rechtdoor. (…)
Reden geen staandehouding: onopvallend voertuig zonder stopbord.”
6. Door de advocaat-generaal is een proces-verbaal van 2 maart 2020 overgelegd, waarin de ambtenaar op ambtsbelofte onder meer verklaart:
“Het feit is gepleegd op de Erasmusweg, kruising Betje Wolffstraat in ’s-Gravenhage.
Die dag werd er een statische roodlicht controle uitgevoerd. Hierbij werd geen opvallend voertuig gebruikt maar een onopvallend voertuig dat niet voorzien is van een transparant stopbord.”
7. Uitgangspunt in zaken betreffende de Wahv is dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens moet bevatten om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren zodat daartegen verweer kan worden gevoerd (vgl. onder meer het arrest van het hof Leeuwarden van 26 januari 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8373). Niet aannemelijk is gemaakt dat de inleidende beschikking onvoldoende informatie bevat om adequaat verweer te voeren. Voorts heeft de advocaat-generaal naar aanleiding van het verweer van de gemachtigde in hoger beroep een proces-verbaal overgelegd waaruit blijkt bij welke verkeerslichten op de Erasmusweg de gedraging is verricht. De gemachtigde heeft hierop kunnen reageren. Het hof verwerpt het verweer.
8. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
9. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat er op dat moment geen reële mogelijkheid bestond tot staandehouding van de bestuurder, omdat de ambtenaar in een onopvallend voertuig zat en niet beschikte over stopmiddelen. Anders dan de gemachtigde meent, betekent de omstandigheid dat sprake is van een statische roodlichtcontrole niet dat per definitie een reële mogelijkheid bestaat om bestuurders staande te houden. Dat er veelvuldig wordt gekozen voor een door de gemachtigde genoemde werkwijze waarin de reële mogelijkheid tot staandehouding wel bestaat, betekent niet dat dat in dit geval ook mogelijk was. De -voor de mogelijkheid van staandehouding van belang zijnde- keuze van de ambtenaar voor de wijze waarop een verkeerscontrole wordt uitgevoerd leent zich slechts voor een uiterst marginale toetsing door de rechter. De hier toegepaste werkwijze kan die toetsing doorstaan. Nu de ambtenaar niet beschikte over stopmiddelen, was er geen reële mogelijkheid tot staandehouding en mocht de ambtenaar volstaan met het bekeuren op kenteken. De sanctie is dan ook terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene, als kentekenhouder, opgelegd.
10. De verweren van de gemachtigde treffen geen doel. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.