ECLI:NL:GHARL:2021:8398

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 september 2021
Publicatiedatum
2 september 2021
Zaaknummer
Wahv 200.252.413/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 12 Wahv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie bij ontbreken bromfietspad en bevoegdheid BOA

De betrokkene is in hoger beroep gekomen tegen een sanctie opgelegd op grond van artikel 5 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) wegens het rijden op de rijbaan als snorfietser bij het ontbreken van een verplicht bromfietspad. De sanctie was opgelegd aan de kentekenhouder, terwijl de bestuurder staande was gehouden.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de ambtenaar die de sanctie oplegde niet bevoegd was, omdat twijfel zou bestaan over het mandaat van de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa). Het hof oordeelde dat deze twijfel niet gegrond was, mede omdat het proces-verbaal van beëdiging geen aanwijzing gaf voor het ontbreken van bevoegdheid.

Daarnaast stelde de gemachtigde dat ten onrechte een sanctie aan de kentekenhouder was opgelegd in plaats van aan de bestuurder, omdat de ambtenaar niet had aangegeven waarom van staandehouding was afgezien. Uit een aanvullend proces-verbaal bleek echter dat de bestuurder wel degelijk was staande gehouden, maar dat door een storing in de handterminal de sanctie aan de kentekenhouder was opgelegd.

Omdat de betrokkene tevens kentekenhouder was, leidde dit niet tot schending van de verdedigingsrechten. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter wegens onvoldoende oproeping, maar verklaarde het hoger beroep tegen de sanctie ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de opgelegde sanctie wordt ongegrond verklaard en de beslissing van de kantonrechter vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.252.413/01
CJIB-nummer
: 209683501
Uitspraak d.d.
: 2 september 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 27 november 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 3 februari 2021 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft bij e-mail van 14 mei 2021 aangegeven dat hij geen behoefte heeft aan een zitting.

De beoordeling

1. In voornoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat is gehandeld in strijd met artikel
12, eerste lid, van de Wahv, nu het hof niet kan vaststellen dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. De overige bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de kantonrechter behoeven daarom geen bespreking meer.
2. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard.
3. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Als (snor)fietser bij ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir voetpad).” Deze gedraging zou zijn verricht op 13 juli 2017 om 8:31 uur op de Herenstraat in Voorburg met het voertuig met kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd daartoe niet bevoegd was. De gemachtigde voert daartoe aan dat niet gebleken is dat de persoon die de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) heeft beëdigd, [naam1] , gemandateerd was om dat te doen. De gemachtigde vindt dat het op de weg van de advocaat-generaal ligt om het vigerende mandaatbesluit in te brengen dan wel nadere informatie te verstrekken. De gemachtigde verwijst naar een meegestuurd proces-verbaal van beëdiging en naar een aantal arresten van dit hof, waaronder het arrest van 6 maart 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:1843 en het (niet gepubliceerde) arrest van dit hof van 23 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3599.
5. Zoals in het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797 is overwogen, is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar.
6. Hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd doet die twijfel niet ontstaan. Het door de gemachtigde overgelegde proces-verbaal van beëdiging van de betrokken ambtenaar van 27 januari 2016, ondertekend door [naam1] , Direct toezichthouder eenheid Den Haag, in de rang van inspecteur, heeft blijkens de inhoud daarvan geen betrekking op de beëdiging van de ambtenaar, maar ziet op de uitreiking aan hem van een daarop volgende akte van beëdiging. Ter informatie verwijst het hof naar het hiervoor aangehaalde arrest. De situatie als bedoeld in het door de gemachtigde aangehaalde arresten doet zich hier dus niet voor. Het verweer wordt verworpen.
7. Voorts voert de gemachtigde aan dat de betrokkene stelt dat een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, zodat ten onrechte op kenteken is bekeurd. De gemachtigde merkt daarbij op dat de ambtenaar in zijn verklaring noch in zijn nadere proces-verbaal heeft aangegeven waarom van staandehouding is afgezien. In reactie op het door de advocaat-generaal overgelegde aanvullend proces-verbaal van 10 april 2019 heeft de gemachtigde nog aangevoerd dat de omstandigheid dat er storing was van de handterminal niet kan worden toegerekend aan de betrokkene, temeer nu de ambtenaar eerder in het geheel niets heeft verklaard over een storing, hetgeen zeer onzorgvuldig is.
8. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
9. In het licht van hetgeen door de gemachtigde naar voren is gebracht, stelt het hof allereerst vast dat uit de gegevens in het zaakoverzicht blijkt dat de onderhavige sanctie aan de kentekenhouder van het voertuig met kenteken [kenteken] is opgelegd.
10. Voorts stelt het hof vast dat de ambtenaar, die de sanctie heeft opgelegd, in zijn verklaring die is opgenomen in het zaakoverzicht, alsmede zijn nadere proces-verbaal van 20 december 2017 niet heeft gerelateerd over het al dan niet staande houden van de bestuurder.
11. Wel bevat het dossier nog een, op verzoek van de advocaat-generaal opgesteld, aanvullend proces-verbaal d.d. 10 april 2019, waarin deze ambtenaar verklaart:
“Ten tijde van de gedraging is de betrokkene wel staande gehouden en aangezegd dat hij een Aankondiging van Beschikking zou krijgen omdat hij met een snorfiets reed in een voetgangersgebied. Omdat de handheld een storing gaf en hierdoor niet optimaal functioneerde was het niet mogelijk om alle gegevens ter plaatse te controleren.”
12. Uit deze verklaring van de ambtenaar volgt dat hij de bestuurder van het betreffende voertuig wel heeft staandegehouden. Gegeven het in artikel 5 van Pro de Wahv geformuleerde uitgangspunt had de sanctie aan deze persoon moeten worden opgelegd in plaats van aan de kentekenhouder van het voertuig. De enkele omstandigheid dat het kennelijk om systeemtechnische redenen niet mogelijk was om op de inleidende beschikking te vermelden dat sprake was van een staandehouding kan - wat hier verder ook van zij – hier niet aan af doen. Nu echter uit het dossier, en met name uit het door de betrokkene zelf indiende administratief beroepschrift, eenduidig blijkt dat de betrokkene zowel kentekenhouder als bestuurder van het voertuig is geweest, zal het hof aan dit oordeel geen consequenties verbinden. De betrokkene is hierdoor niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad.
13. De bezwaren treffen geen doel. Het beroep is ongegrond.
14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.