ECLI:NL:GHARL:2021:8495

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 september 2021
Publicatiedatum
8 september 2021
Zaaknummer
21-004361-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor winkeldiefstal in vereniging met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het samen met een ander plegen van winkeldiefstal in drie verschillende winkels op 27 december 2018. Zij nam diverse goederen weg met het oogmerk deze wederrechtelijk toe te eigenen, waaronder kleding en parfums. De politierechter had een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 60 uur opgelegd.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander de diefstallen had gepleegd met behulp van een magneet om beveiligingslabels te verwijderen. Verdachte werd strafbaar verklaard en veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof nam ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking en constateerde een lichte overschrijding van de redelijke termijn, die echter niet tot matiging van de straf leidde. De teruggave van in beslag genomen zwarte tassen werd gelast. Een geldboete werd niet opgelegd vanwege de ernst van de feiten.

De uitspraak werd op 1 september 2021 door het hof Arnhem-Leeuwarden in Leeuwarden uitgesproken.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 60 uur.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004361-19
Uitspraak d.d.: 1 september 2021
TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 13 augustus 2019 met parketnummer 16-266493-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsvrouw, mr. T. Sandrk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. De politierechter heeft daarnaast de teruggave aan verdachte gelast van in beslag genomen tassen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 27 december 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- twee Unicorn slaapmaskers, twee Unicorn gummen, 2 gootsteenzeefjes en/of een tas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam1] , gelegen aan de [adres1] te [plaats]
- een broek en/of vijf pyjama's, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam2] , gelegen aan de [adres2] te [plaats]
- een boek, een speelgoedpaard en/of twee parfums, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam3] , gelegen aan de [adres3] te [plaats]
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 27 december 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander,
- twee Unicorn slaapmaskers, twee Unicorn gummen, 2 gootsteenzeefjes en een tas, toebehorende aan [naam1] , gelegen aan de [adres1] te [plaats] ,
- een broek en vijf pyjama's, toebehorende aan [naam2] , gelegen aan de [adres2] te [plaats] ,
- een boek, een speelgoedpaard en twee parfums, toebehorende aan [naam3] , gelegen aan de [adres3] te [plaats] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich op 27 december 2018 te [plaats] samen met een ander schuldig gemaakt aan winkeldiefstal in drie verschillende winkels, te weten [naam1] , [naam2] en [naam3] . Verdachte en haar medeverdachte hadden een magneet bij zich waarmee beveiligingslabels van de kleding konden worden verwijderd. Verdachte heeft hiermee laten zien doelbewust te werk te zijn gegaan, geen respect te hebben gehad voor de eigendommen van een ander en slechts uit te zijn geweest op haar eigen financieel gewin. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien niet alleen financiële schade, maar ook overlast en ergernis bij de gedupeerde winkels. Het hof rekent dit verdachte aan.
Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juli 2021 blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen de raadsvrouw met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte ter zitting heeft aangevoerd.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de fase van hoger beroep in lichte mate is overschreden. Het hof zal, anders dan de advocaat-generaal deed, volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de hoogte van de hierna te vermelden op te leggen straf zich niet voor matiging leent.
Het hof acht, alles overwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Daarnaast zal het hof aan verdachte een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest opleggen. Dat verdachte thans, zoals de raadsvrouw ter zitting van het hof heeft verklaard, in Spanje verblijft, staat aan de oplegging van een taakstraf niet in de weg. Oplegging van een geldboete, zoals bepleit door de raadsvrouw van verdachte, is gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet aan de orde.

In beslag genomen goederen

Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder verdachte in beslag genomen zwarte tassen van Primark.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
2 zwarte Primark tassen.
Aldus gewezen door
mr. A. Meester, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,
en op 1 september 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.