ECLI:NL:GHARL:2021:8523

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 september 2021
Publicatiedatum
8 september 2021
Zaaknummer
Wahv 200.276.684/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:11 APV Rotterdam 2012Art. 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 11 Wahv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens parkeren op berm en niet op groenstrook

De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd voor het parkeren van zijn voertuig op 3 februari 2019 op een locatie die volgens de officier van justitie een park, plantsoen of groenstrook betrof. De betrokkene stelde dat het voertuig op een berm stond die onderdeel is van de weg, en overlegde foto's ter ondersteuning.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelde anders. Op grond van de Wegenverkeerswet 1994 behoort een berm tot de weg, waardoor het verbod op parkeren in groenstroken niet van toepassing is. Het hof concludeerde dat de locatie een berm was, gezien de ligging naast de openbare weg buiten de bebouwde kom, met grasstroken aan weerszijden, en geen park of groenstrook.

Daarom werd de sanctiebeschikking vernietigd en het beroep gegrond verklaard. Tevens werd de proceskostenvergoeding aan de betrokkene toegekend. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van in totaal €1.148,50.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd omdat het voertuig op een berm stond en niet op een verboden groenstrook.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.276.684/01
CJIB-nummer
: 223232790
Uitspraak d.d.
: 8 september 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “voertuig laten staan in een park, plantsoen of openbare beplantingen of groenstroken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 februari 2019 om 11:17 uur op de Pernis 17A in Hoogvliet met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene niet ontkent dat hij op tijd en plaats als hiervoor vermeld zijn voertuig heeft laten staan, maar voert aan dat het voertuig op een van de weg deel uitmakende berm in de zin van de Wegenverkeerswet stond. Ter plaatse was geen sprake van een park, plantsoen, beplanting of groenstrook. Ter onderbouwing hiervan heeft de betrokkene foto's van de betreffende locatie overgelegd.
3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 5:11 Aantasting Pro groenvoorzieningen door voertuigen van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012. Dit artikel luidt - voor zover van belang - als volgt:
1. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten
staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
4. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 moet onder het begrip wegen worden verstaan:
“Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten”.
5. Het hof wordt gesteld voor de vraag of de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond moet gelden als behorend tot de weg - in welk geval voornoemd verbod niet van toepassing is - of dat inderdaad sprake is van een groenstrook.
6. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat ter plaatse sprake is van een park, plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. De enkele niet nader onderbouwde conclusie dat de betrokkene heeft geparkeerd in het park is onvoldoende. Op basis van de door de betrokkene overgelegde foto's van de locatie stelt het hof vast dat er in casu sprake is van een evident buiten de bebouwde kom gelegen voor het openbaar verkeer openstaande weg met aan beide zijden een strook gras. Aan een kant wordt deze strook gras begrensd door de naastgelegen snelweg, terwijl de van bomen voorziene strook aan de andere kant wordt onderbroken door het aanwezige metrospoor. Nu beide stroken gras direct zijn gelegen aan de weg, doen deze zich naar het oordeel van het hof voor de gemiddelde weggebruiker voor als een tot de weg behorende berm, zodat geen sprake is van een groenstrook, dan wel een park, plantsoen of openbare beplantingen. De onder 1. vermelde gedraging is derhalve niet komen vast te staan.
7. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en, met gegrondverklaring van het beroep, de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen.
9. De waarde per punt bedraagt € 534,- voor de fase van het administratief beroep en € 748,- voor de fase bij de kantonrechter en het hoger beroep. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten voor de fase van het administratief beroep tot een bedrag van € 400,50
(1,5 x € 534,- x 0,5) en tot een bedrag van € 748,- (2 x € 748,- x 0,5) voor de fase van het beroep bij de kantonrechter en het hoger beroep.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.148,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.