ECLI:NL:GHARL:2021:8615
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid commune strafkamer bij samenhang economische en overige delicten
In deze strafzaak is in hoger beroep het preliminaire verweer van de verdediging behandeld over de bevoegdheid van de commune meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland om kennis te nemen van de ontnemingsvordering. De verdediging stelde dat de zaak had moeten worden behandeld door de economische strafkamer vanwege het economische delict dat aan verdachte ten laste is gelegd.
De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte onherroepelijk veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder medeplegen van overtreding van de Wet op de Kansspelen, een economisch delict. Daarnaast zijn er andere strafbare feiten ten laste gelegd. De ontnemingsvordering is vastgesteld op een bedrag van €56.443,23 en opgelegd door de commune strafkamer.
De verdediging voerde aan dat er geen samenhang bestaat tussen het economische delict en de overige feiten, waardoor de commune strafkamer onbevoegd zou zijn. Het hof heeft dit verweer getoetst aan de wettelijke bepalingen uit de Wet op de Economische Delicten en de wetsgeschiedenis, waarbij de doelmatige rechtsbedeling als maatstaf geldt. Gelet op de samenhang in tijd en plaats van de feiten, waaronder de vondst van het wapen, verdovende middelen en lotto-administratie in dezelfde woning, oordeelt het hof dat de commune strafkamer bevoegd was.
Het hof verwerpt het preliminaire verweer, heropent het onderzoek en bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen datum. De zaak wordt niet terugverwezen naar de economische strafkamer. Hiermee wordt bevestigd dat de commune strafkamer ook het economische delict mag berechten indien sprake is van samenhang met commune delicten.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat de commune meervoudige strafkamer bevoegd was en verwerpt het preliminaire verweer, waarna het onderzoek wordt heropend.