ECLI:NL:GHARL:2021:873

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 januari 2021
Publicatiedatum
29 januari 2021
Zaaknummer
Wahv 200.243.263/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.2.27 Regeling voertuigenArt. 7:17 AwbArt. 7:19 AwbWahvWegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boete voor onvoldoende profiel op autobanden verworpen

De betrokkene tekende hoger beroep aan tegen een boete van €210 wegens het rijden met twee autobanden die niet aan de profielvereisten voldeden. De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Het hof stelde vast dat de betrokkene niet voldoende was gehoord, waardoor de beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie gegrond verklaard. Vervolgens beoordeelde het hof het feitelijke geschil over de boete. De betrokkene voerde aan dat de meting van de bandprofielen niet volgens de Regeling voertuigen was uitgevoerd, omdat het voertuig niet boven een inspectieput of hefinrichting stond en de meting met nagels was gedaan.

Het hof oordeelde dat de Regeling voertuigen alleen ziet op RDW-keuringen en niet op verkeerscontroles. De meting met een profieldieptemeter door een RDW-medewerker was voldoende betrouwbaar. Ook was er geen gegronde twijfel aan de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie oplegde. Het beroep tegen de boete werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de boete wegens onvoldoende profiel op autobanden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.243.263/01
CJIB-nummer
: 208691358
Uitspraak d.d.
: 29 januari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft geen verweerschrift ingediend, maar wel nadere informatie overgelegd.
De gemachtigde van de betrokkene heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de officier van justitie niet mocht afzien van het horen van de betrokkene met een beroep op artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Artikel 7:19, derde lid, van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat het horen in het openbaar geschiedt tenzij het bestuursorgaan op verzoek van een belanghebbende anders beslist. Een bestuursorgaan kan dus - ondanks een verzoek om telefonisch te worden gehoord - bepalen dat het horen in het openbaar geschiedt. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op basis van de correspondentie tussen de gemachtigde en de officier van justitie terecht heeft vastgesteld dat de gemachtigde hieruit had kunnen opmaken dat er een fysieke hoorzitting werd voorgesteld. Bij de stukken bevindt zich echter geen verslag van de hoorzitting op 20 november 2017, zodat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de fysieke hoorzitting doorgang heeft gevonden. Aldus kan niet worden geoordeeld dat de gemachtigde in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. De kantonrechter heeft dit miskend.
3. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal die beslissing daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. De overige bezwaren tegen deze beslissingen behoeven geen bespreking meer.
4. Ter beoordeling staat nu het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene bij inleidende beschikking een sanctie is opgelegd van € 210,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl twee banden niet voldoen aan de eisen t.a.v. de profilering”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 juni 2017 om 22:40 uur op de Huijgenspark in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
5. De gedraging wordt betwist en is volgens de gemachtigde niet vastgesteld conform de wijze die artikel 5.2.27 van de Regeling voertuigen voorschrijft, nu niet is gebleken dat de auto zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevond. Daarnaast is geen sprake geweest van een meting van de RDW, nu de ambtenaar de banden met zijn nagels controleerde. De verwijzing naar een kompas in het door de advocaat-generaal overgelegde aanvullende proces-verbaal van de ambtenaar, is onvoldoende om te controleren of sprake is geweest van een deugdelijke meting. Verder stelt de gemachtigde dat niet zonder meer is komen vast te staan dat de ambtenaar in de rang van ‘agent’ is beëdigd. De politie-eenheid Den Haag heeft de akte van beëdiging van alle binnen de eenheid werkzame ambtenaren gepubliceerd, maar van deze ambtenaar is de betreffende akte niet te achterhalen. De akte kan niet in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bij de politie kan worden opgevraagd. Uit het door de advocaat-generaal overgelegde document volgt volgens de gemachtigde dat akte slechts tot en met 27 juni 2017 geldig was en aldus niet ten tijde van het opleggen van de sanctie op 28 juni 2018.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Naam van ambtenaar 1: [B]
(…)
Rangomschrijving van ambtenaar 1: aspirant van politie
Opmerkingen ambtenaar 1:
Op 28 juni 2017 hielden wij verbalisanten, naar aanleiding van een integrale handhavingsactie (…) betrokkene staande. Tijdens een controle van de RDW naar profilering van de banden, zagen wij (…) dat de profilering in de hoofdgroeven van de twee voorste autobanden, lager waren dan 1.6 mm.
(…)
Verklaring betrokkene: ik heb morgen een afspraak gemaakt bij de garage om de banden te vervangen.”
7. In een aanvullend proces-verbaal van 18 oktober 2018 verklaart de ambtenaar als volgt:
“Tijdens deze controle viel mij op [dat] de profilering van de voorste twee banden naar alle waarschijnlijkheid niet aan de eisen voldeed. Om dit met zekerheid vast te stellen vroeg ik een medewerker van het RDW, die gespecialiseerd is in dit soort metingen en de juiste apparatuur bij zich had, om een meting uit te voeren.
Ik zag dat hij een apparaat dat leek op een kompas op de band duwde. Hij deed dit op het loopvlak van de band. Na de meting toonde hij mij het apparaat. Ik zag dat op het apparaat de eerste maal een waarde van 0,2 mm af te lezen was. De tweede keer zag ik dat deze waarde 0,8 mm betrof. Ik hoorde de medewerker van het RDW zeggen dat deze waardes de huidige profieldieptes van de banden aangaven. (…)
Ik hoorde de bestuurder zeggen dat hij van de slijtage op de hoogte was en de dag erna een afspraak had bij de garage. (…)
In 2015 ben ik officieel beëdigd.”
8. Door de advocaat-generaal is in hoger beroep nog een aan ambtenaar [B] gerichte brief van 27 juni 2016 overgelegd, waarin hij met ingang van 1 mei 2016 wordt aangesteld als vrijwillige ambtenaar van politie, in de rang van surveillant, in tijdelijke dienst voor de proeftijd van één jaar voor de uitvoering van de politietaak.
9. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de meting te twijfelen. De in artikel 5.2.27 van de Regeling voertuigen omschreven wijze van keuren ziet op keuringen door de Dienst Wegverkeer, dan wel periodieke keuringen door daartoe bevoegde keurmeesters ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. In dit geval was geen sprake van een dergelijke keuring, maar van een controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften. Dat bij de verkeerscontrole ook een medewerker van de RDW was betrokken maakt dit niet anders. De profilering van de banden is gemeten met behulp van een profieldieptemeter. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
10. Het hof stelt voorop, zoals ook is overwogen in het arrest van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797, dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie het uitgangspunt is. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. Dat de gemachtigde het beëdigingsformulier van de ambtenaar niet heeft kunnen achterhalen, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Een en ander laat onverlet dat op grond van de Wob bij het orgaan dat daartoe gehouden is in meer algemene zin, vanuit het aan de Wob ten grondslag liggende beginsel dat een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie, stukken kunnen worden opgevraagd die zien op de bevoegdheid van (opsporings)ambtenaren.
11. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent, volgt uit het door de advocaat-generaal overgelegde document niet dat de bevoegdheid van de ambtenaar in de rang van surveillant niet meer geldig was ten tijde van het opleggen van de sanctie. Dat de ambtenaar voor een proeftijd van 1 jaar is aangesteld, betekent geenszins dat hij een jaar na 1 mei 2016 niet meer bevoegd dan wel in functie was. In het aanvullend proces-verbaal van 18 oktober 2018 voert de ambtenaar immers ook de rang van surveillant, zodat hieruit kan worden afgeleid dat hij nog steeds in die hoedanigheid in dienst en bevoegd was op dat moment. Daarnaast vermeldt de ambtenaar dat hij, naar het hof begrijpt in de functie van aspirant zoals in het zaakoverzicht wordt vermeld, al in 2015 officieel is beëdigd. Het hof ziet dan ook geen reden tot twijfel aan de bevoegdheid van de ambtenaar. Het verweer faalt.
12. Gelet op het voorgaande wordt het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.