De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over twee minderjarige kinderen die sinds juni 2020 onder toezicht staan en sinds juli 2020 uit huis zijn geplaatst. De gecertificeerde instelling (GI) heeft schriftelijke aanwijzingen gegeven die het contact tussen moeder en kinderen beperken. De moeder verzocht om opheffing van deze aanwijzing en een ruimere contactregeling.
De kinderrechter wees dit verzoek af en bekrachtigde de schriftelijke aanwijzing van de GI. In hoger beroep bevestigt het hof deze beschikking. Het hof oordeelt dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende gemotiveerd is, mede op basis van observaties van pleegouders en de jeugdzorgwerker over de vermoeidheid en emotionele reacties van de kinderen na contactmomenten.
Het hof stelt dat de negatieve reacties van de kinderen bij en na de omgang van doorslaggevende betekenis zijn en dat een contactregeling van eens per twee weken een uur begeleid contact op neutraal terrein het beste is in het belang van de kinderen. De verzoeken van de moeder worden afgewezen en de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.