In deze ontnemingszaak in hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank vernietigd en het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €75.755,91. Dit bedrag dient door de veroordeelde aan de Staat te worden betaald.
De zaak betreft een periode van meer dan drieënhalf jaar waarin de veroordeelde en zijn partner een gewoonte maakten van witwassen. Uit een eenvoudige kasopstelling blijkt een aanzienlijk negatief kasverschil waarvoor geen aannemelijke verklaring is gegeven. Het hof acht het aannemelijk dat dit verschil het gevolg is van strafbare feiten en derhalve wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigt.
Het hof oordeelt dat het voordeel niet hoofdelijke toerekening aan de veroordeelde kan plaatsvinden omdat geen concrete aanwijzingen bestaan voor een andere verdeling dan gelijke verdeling tussen veroordeelde en partner. Daarom wordt het voordeel pondspondsgewijs toegerekend. Tevens is de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 1080 dagen.
De verdediging voerde onder meer aan dat witgewassen geld niet zonder meer als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt en dat er geen bewijs is van strafbare feiten die voordeel hebben opgeleverd. Dit verweer is door het hof verworpen op basis van de kasopstelling en eerdere veroordeling voor medeplegen witwassen.
Het arrest is gewezen door mr. A.H. Toe Laer, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. M.C. Fuhler, raadsheren, en op 14 september 2021 uitgesproken.