In deze ontnemingszaak in hoger beroep heeft het hof het eerdere vonnis van de rechtbank Noord-Nederland vernietigd en opnieuw recht gedaan. De zaak betreft de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door veroordeelde en zijn partner, die samen een gewoonte maakten van witwassen over een periode van meer dan drieënhalf jaar.
Het hof baseert zich op een eenvoudige kasopstelling die een negatief kasverschil van €169.800,83 toont, waarvan na aftrek van legale inkomsten en kosten €151.511,83 als wederrechtelijk verkregen voordeel wordt aangemerkt. Omdat geen inzicht is gegeven in de verdeling van het voordeel tussen veroordeelde en zijn partner, wordt het voordeel gelijkelijk verdeeld, waardoor het bedrag voor veroordeelde op €75.755,91 wordt vastgesteld.
De verdediging voerde verweer tegen de ontnemingsvordering, onder meer met verwijzing naar het ontbreken van bewijs van strafbare feiten die voordeel hebben opgeleverd en het karakter van witwassen als misdrijf. Het hof volgt de vaste jurisprudentie dat vermogensbestanddelen die het voorwerp van witwassen vormen niet automatisch wederrechtelijk verkregen voordeel zijn, maar acht aannemelijk dat strafbare feiten hebben geleid tot het voordeel.
Het hof legt veroordeelde de verplichting op om het vastgestelde bedrag aan de Staat te betalen en bepaalt de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen. De beslissing is genomen op 14 september 2021 door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.