Belanghebbende heeft BPM betaald voor vijftien auto's en bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. De rechtbank Gelderland verklaarde de beroepen gegrond wegens schending van de hoorplicht en oordeelde dat de Inspecteur opnieuw uitspraak moest doen. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, waarbij onder meer de rechtmatigheid van het vooraf heffen van griffierechten, vergoeding van materiële en immateriële schade, rentevergoeding en proceskosten aan de orde waren.
Het Hof oordeelde dat het systeem van vooraf heffen van griffierechten niet in strijd is met het Unierecht en dat de hoogte van de griffierechten in dit geval geen onoverkomelijk obstakel vormt. Wel werd vastgesteld dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof stelde vast dat de redelijke termijn met vijf maanden is overschreden en kende daarom een immateriële schadevergoeding van € 500 toe.
Verder wees het Hof het verzoek om materiële schadevergoeding af wegens gebrek aan bewijs. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de wettelijke rente daarover. Ten aanzien van de proceskosten werd de vergoeding voor de beroepsfase verhoogd en vastgesteld op € 1.602, en voor het hoger beroep eveneens op € 1.602. Het Hof vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank over de proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding en bevestigde de rest van de uitspraak.