ECLI:NL:GHARL:2021:8843

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 september 2021
Publicatiedatum
21 september 2021
Zaaknummer
Wahv 200.275.438/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 RVV 1990Art. 67 RVV 1990
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie parkeren zonder vergunning op vergunninghoudersparkeerplaats met laadfunctie

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd wegens parkeren zonder vergunning op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid met bord E9, waar een onderbord 'opladen elektrische auto's' was aangebracht. De betrokkene voerde aan dat het bord E8 bij de laadpaal voor elektrische voertuigen voorrang had en dat het parkeerbeleid zonder aankondiging was gewijzigd.

Het hof stelde vast dat de parkeerplaats duidelijk was aangeduid met bord E9 en dat het onderbord slechts de laadfunctie specificeerde binnen het vergunninghoudersregime. Het feit dat de betrokkene al jaren gratis parkeerde op dergelijke laadplaatsen zonder vergunning en dat de wijziging niet was gepubliceerd, gaf geen rechtvaardiging om de sanctie te matigen of te laten vervallen.

De kantonrechter had de sanctie en het afwijzen van het verzoek om proceskostenvergoeding terecht beslist. Het hof bevestigde deze beslissing en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene had de bebording moeten opmerken en de regels naleven.

Uitkomst: De sanctie van €95 voor parkeren zonder vergunning op een vergunninghoudersparkeerplaats met laadfunctie wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.275.438/01
CJIB-nummer
: 222823504
Uitspraak d.d.
: 21 september 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 23 januari 2020, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van
€ 95,- voor: “parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder vergunning voor dat voertuig (bord E9)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 januari 2019 om 20:05 uur op de Grote Looiersstraat in Maastricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene is het niet eens met de hem opgelegde sanctie. Enerzijds wordt aangevoerd dat de betreffende parkeerplaats misschien binnen de vergunninghouderzone valt, maar dat het bord waaraan de betrokkene gevolg diende te geven een bord E8 is, namelijk het bord dat zich bevindt bij de laadpaal voor elektrische voertuigen, tot welke categorie voertuigen dat van de betrokkene behoort. Anderzijds wordt aangevoerd dat het parkeerbeleid in Maastricht kennelijk ineens is gewijzigd zonder dat de burger daarover publiekelijk is ingelicht noch is deze wijziging op de laadpalen zelf aangegeven. De betrokkene parkeert al jarenlang vier uren gratis op laadplaatsen voor elektrische voertuigen, zowel waar het gaat om betaalde parkeerplaatsen als om parkeerplaatsen voor vergunninghouders. De betrokkene is daarom van mening dat hij er niet op bedacht hoefde te zijn dat de regels voor het parkeren waren veranderd.
3. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) luidt:
“De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.”
4. Artikel 67, tweede lid, RVV 1990 luidt:
“Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord.”
5. De verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt zakelijk weergegeven in dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd op een parkeergelegenheid die is voorbehouden aan vergunninghouders aangeduid middels bord E9, terwijl in het voertuig geen parkeervergunning is waargenomen en deze voor dat voertuig ook niet is verleend.
6. De betrokkene betwist de verklaring van de ambtenaar als zodanig niet. Hij stelt echter, zo begrijpt het hof, dat het bord dat volgens hem bij de laadpaal staat (bord E8) als zodanig voorrang heeft op het aldaar geplaatste bord E9 en dat hij daarom, door gevolg te geven aan het bord E8, geen rechtsregel heeft overtreden. Het hof volgt de betrokkene hierin niet en overweegt als volgt.
7. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat de betrokkene stond geparkeerd op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangegeven middels bord E9. Dit wordt bevestigd door een uitdraai van Google Maps Street View, die de gemachtigde heeft overgelegd. Op die uitdraai is een laadpaal voor elektrische voertuigen te zien. Rechts daarvan staat een paal met daaraan bovenaan bevestigd een bord E9 en daaronder een tweetal onderborden. Het eerste onderbord bevat een naar links en een naar rechts wijzende pijl, daarmee betrekking hebbend op de twee schuin voor de paal gesitueerde parkeerplaatsen. Kennelijk stond het voertuig van de betrokkene op één van deze twee plaatsen. Op het onderste onderbord staat de volgende tekst: “opladen elektrische auto’s”.
8. Het hof overweegt dat, in tegenstelling tot hetgeen de betrokkene stelt, uit voormelde uitdraai blijkt dat bij de betreffende parkeerplaats geen bord E8 geplaatst. Er staat enkel een bord E9, waarmee het regime voor parkeren voor vergunninghouders van toepassing is op die parkeerplaats. De onderborden geven aan dat binnen dat regime voor vergunninghouders op die betreffende parkeerplaatsen enkel mag worden geparkeerd door elektrische voertuigen die aan het opladen zijn. Dat het voertuig van de betrokkene (op het moment van de gedraging) tot die laatste categorie behoorde, wil het hof aannemen, maar dit maakt aldus niet dat de betrokkene hier mocht parkeren. De betrokkene was immers niet in het bezit van een vergunning om hier te parkeren, zodat is gehandeld in strijd met het bord E9 en de gedraging is verricht.
9. Het hof overweegt voorts dat het verweer van de gemachtigde geen aanleiding geeft om tot matiging van het sanctiebedrag over te gaan of de sanctie in het geheel achterwege te laten. Gelet op de bebording ter plaatse was het parkeerregime voldoende duidelijk aangegeven. Van iedere weggebruiker mag worden verwacht dat hij oplettend is op de aanwezige bebording. Indien de betrokkene deze bebording niet heeft opgemerkt, is dat - in aanmerking genomen dat van enige onduidelijkheid daaromtrent niet is gebleken - een omstandigheid die voor zijn rekening dient te komen.
10. Dat de betrokkene al jarenlang zonder vergunning op de betreffende parkeerplaats parkeert, maakt voorgaande niet anders. Aan die omstandigheid heeft de betrokkene niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat die wijze van parkeren ook na de wijziging van het parkeerbeleid nog zou zijn toegestaan. Ook de omstandigheid dat deze wijziging - wat daarvan ook zij - niet is gepubliceerd of anderszins ter plaatse zou zijn aangegeven, brengt geen verandering teweeg in het hiervoor overwogene, nu de betrokkene reeds door middel van de bebording op de hoogte had kunnen en moeten zijn van het aldaar geldende parkeerregime.
11. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter een juiste beslissing en zal deze beslissing worden bevestigd. Aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.