Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
- een H12 formulier van mr. Santema van 12 oktober 2020, met bijlage(n);
- een akte uitlaten doorprocederen tevens wijziging eis van de zijde van [appellant] , met bijlage(n);
- een antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde] .
Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.
2.De vaststaande feiten
3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg3.1. [appellant] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen om aan hem te verstrekken een aantal, in de dagvaarding nader omschreven, gegevens, onder verbeurte van een dwangsom. Verder heeft [appellant] gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om aan hem te voldoen een bedrag van € 22.020,33 uit hoofde van de legitieme aanspraak.
4.4. De vorderingen in hoger beroep
"veroorzaakt door Frl. Bewind" € 6.230,-.
5.De beslissing in hoger beroep
Het hof stelt voorop dat uit de wet niet blijkt dat tijdens de vereffening het bepaalde in artikel 4:78 BW Pro niet van toepassing is. Verder volgt het hof [geïntimeerde] niet in haar verwijzing naar de procedure ex artikel 4:210 BW Pro. Uit de in 2020 aangepaste ‘Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter’ blijkt dat het niet (meer) mogelijk is dat belanghebbenden (waaronder [appellant] als schuldeiser) zelf aan de kantonrechter om een aanwijzing vragen. Belanghebbenden in een nalatenschap kunnen de kantonrechter weliswaar op de hoogte stellen van feiten of omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het geven van een aanwijzing, maar het geven van aanwijzingen is een discretionaire bevoegdheid van de kantonrechter. Daarmee kan niet (langer) worden gezegd dat de vereffening voldoende waarborgen biedt voor schuldeisers van de nalatenschap, waaronder legitimarissen, om aan informatie te komen.
Ook overigens biedt de wet voldoende grondslagen voor de informatievordering van [appellant] . Artikel 843a Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift en uittreksel van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking kan vorderen van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. [appellant] heeft als legitimaris rechtmatig belang bij afgifte van (kopieën van) afschriften van de bankrekening van erflaatster, zoals in het hierna volgende zal worden uiteengezet.
Verder kan [appellant] ingevolge het bepaalde in artikel 4:223 lid 2 BW Pro zijn vorderingsrecht bij vonnis doen vaststellen. Om de omvang van de vordering van [appellant] te kunnen vaststellen is het nodig dat eerst een deel van de door hem verzochte informatie op tafel komt.