De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het besturen van een bedrijfsauto terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Hij stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de politierechter. Het hof vernietigde het vonnis en deed opnieuw recht.
Uit het onderzoek bleek dat verdachte op 11 januari 2018 een motorrijtuig bestuurde zonder dat zijn ingevorderde rijbewijs was teruggegeven. Verdachte was eerder onherroepelijk veroordeeld voor een soortgelijk feit. De verdediging vroeg om een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, mede vanwege de positieve gedragsverandering van verdachte.
Het hof achtte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, maar hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarom werd een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar opgelegd, gecombineerd met een taakstraf van 56 uren, subsidiair 28 dagen hechtenis.
Het hof benadrukte dat verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer heeft veronachtzaamd door te rijden zonder geldig rijbewijs, ondanks eerdere veroordelingen. De straf is in overeenstemming met de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan.