ECLI:NL:GHARL:2021:8962

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 september 2021
Publicatiedatum
23 september 2021
Zaaknummer
Wahv 200.275.628/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende onderbouwing afzien staandehouding

De betrokkene kreeg een sanctie van €240 opgelegd voor het niet stoppen voor een rood verkeerslicht op 9 mei 2019 in Haarlem. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde in hoger beroep vast dat de ambtenaren onvoldoende hebben onderbouwd waarom zij niet tot staandehouding zijn overgegaan.

De ambtenaren gaven aan dat zij vanwege 'drukte' en 'andere werkzaamheden' niet konden staande houden, maar deze verklaringen waren vaag en niet toegespitst op de specifieke situatie. Het hof oordeelde dat zonder nadere toelichting niet kan worden vastgesteld dat er geen reële mogelijkheid was om de bestuurder staande te houden.

Daarom werd de sanctiebeschikking vernietigd en het beroep gegrond verklaard. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene. Dit arrest benadrukt het belang van een concrete en specifieke motivering bij het afzien van staandehouding in het bestuursstrafrecht.

Uitkomst: Sanctiebeschikking vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing afzien van staandehouding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.275.628/01
CJIB-nummer
: 225478471
Uitspraak d.d.
: 23 september 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 11 februari 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 mei 2019 om 17:32 uur op de Gedempte Herensingel in Haarlem met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat niet is gebleken van een deugdelijke verklaring van de ambtenaar om van staandehouding af te zien, althans van een geldige reden daarvoor. De sanctie is daarom ten onrechte aan de kentekenhouder opgelegd. De ambtenaar stond achter de bestuurder bij het volgende verkeerslicht en is de bestuurder gevolgd tot het volgende stoplicht, waar de ambtenaar afsloeg richting het politiebureau. Het is niet duidelijk geworden wat onder ‘drukte’ wordt verstaan. Het ‘zo snel mogelijk’ afhandelen van onderzoeken op het politiebureau is geen omstandigheid die het afzien van een staandehouding rechtvaardigt.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. In de verklaring van de ambtenaren zoals opgenomen in het zaakoverzicht wordt als reden geen staandehouding opgegeven ‘in verband met drukte geen staandehouding kunnen doen’. Het dossier bevat verder een aanvullend proces-verbaal van 12 augustus 2020. Hierin verklaart de ambtenaar het volgende met betrekking tot het niet staandehouden van de bestuurder:
“Op donderdag 9 mei 2019 was ik, verbalisant [naam1] , samen met mijn collega [naam2] , gekleed in politiekleding en wij reden in een opvallend dienstvoertuig. Wij waren belast met noodhulpsurveillance in de regio Kennemerkust.
Op donderdag 9 mei 2019 was het enorm druk in de regio. Wij hadden verschillende incidenten gehad met meerdere aanhoudingen en daar de afhandeling van. Ook zijn wij meerdere keren door het Operationeel Centrum te Haarlem gestuurd naar meldingen in Haarlem, welke buiten onze regio liggen.
Op de vraag waarom wij geen staandehouding hebben gedaan kan ik, nu ruim een jaar later, alleen antwoorden dat wij de gehele dag druk bezig zijn met meerdere meldingen en de afhandeling daarvan. Dan kan het voorkomen dat wij bij een overtreding alleen op kenteken schrijven. Ik snap dat het voor de burger kan overkomen dat wij tijd hadden voor een staandehouding, helemaal als wij richting het politiebureau rijden, maar dan kan het zijn dat wij voor verschillende onderzoeken de afhandeling zo snel mogelijk moeten afhandelen.”
5. Dat staandehouding niet mogelijk was in verband met drukte is, zonder nadere toelichting waaruit die drukte bestond en waarom andere werkzaamheden prioriteit hadden, onvoldoende om te concluderen dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Uit het dossier blijkt onvoldoende waaruit de drukte van de ambtenaar bestond en waarom er prioriteit diende te worden gegeven aan andere werkzaamheden. De verklaring van de ambtenaren dat zij de hele dag druk bezig waren met meerdere meldingen, ziet niet op de specifieke situatie. De verklaring dat het kan zijn dat de ambtenaren verschillende onderzoeken zo snel mogelijk moesten afhandelen, bevat enkel een vermoeden van de ambtenaar waaruit de drukte heeft bestaan. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat er een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder was. De sanctie is daarom ten onrechte aan de kentekenhouder opgelegd. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 3,5 procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 534,- en voor het (hoger) beroep € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.335,50 (= 1,5 x € 534 + 2,5 x € 748,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.335,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.