Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
Het verloop van de procedure
De beoordeling
De betrokkene is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hiertoe wordt aangevoerd dat op het moment van parkeren zowel een gehandicaptenparkeerkaart als een parkeerschijf achter de voorruit was geplaatst. De gehandicaptenparkeerkaart is op een vaste plaats achter de voorruit bevestigd en de parkeerschijf lag op het schuin aflopende dashboard. Staand voor het voertuig is deze schijf niet te zien, reden waarom de schijf op de foto van de ambtenaar vanwege de door hem ingenomen (lage) positie niet is te zien. De betrokkene bekruipt het vermoeden dat de ambtenaar, toen bleek dat hij voor een onjuiste feitcode had geschreven, op basis van de foto van de gedraging de feitcode heeft gewijzigd. Er had volgens de betrokkene echter een goede foto van het dashboard moeten worden gemaakt, omdat daarop te zien zou zijn dat er wel degelijk een parkeerschijf lag. Indien die schijf er niet had gelegen, had de ambtenaar ook niet tien minuten gewacht met het uitschrijven van de boete. Het had volgens de betrokkene op de weg van de kantonrechter gelegen om, gelet op deze gang van zaken, de betrokkene het voordeel van de twijfel te gunnen en de sanctie te vernietigen.
“Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.”
“Op bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht, zijn artikel 25 en Pro, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, 46 en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.”
Het vierde lid van artikel 85 van Pro het RVV 1990 houdt in:
“In de gevallen, waarin niet langer dan drie uren mag worden geparkeerd, moet het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde zijn voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen.”
De betrokkene ontkent niet te hebben geparkeerd op een plaats waar een parkeerverbod geldt, maar stelt dat hij daar mocht parkeren, nu er een gehandicaptenparkeerkaart en parkeerschijf achter de voorruit zouden zijn geplaatst.
“Het is mij ambtshalve bekend dat hier een parkeerverbod zone van toepassing is. Dit wordt, voordat je het centrum van Maastricht binnenkomt, aangeduid met bord E1. Voordat je het onze Lieve Vrouwenplein binnenkomt, staat het bord C12. Het is mij ambtshalve bekend dat voor ‘De kopieerder’, Onze Lieve Vrouwenplein 16 te Maastricht, personenauto’s staan geparkeerd (…). Het is mij ambtshalve bekend dat mensen met een invalidenkaart de eerste drie uur op een betaalde parkeerplaats mogen parkeren. De burger dient naast deze kaart de parkeerschijf met de juiste tijd te gebruiken. Op bovengenoemde datum, tijd en plaats heb ik desbetreffende personenauto (…) zonder een bestuurder aangetroffen. De personenauto stond met vier banden op de openbare weg. Hier geldt bovengenoemd parkeerverbod. (…) Ik heb zowel in de personenauto, als achter de ruiten van genoemde personenauto, geen parkeerschijf waargenomen.”
Het verweer van de betrokkene in acht nemende, overweegt het hof dat uit artikel 85, vierde lid, van het RVV 1990 zoals voormeld niet enkel volgt dat het motorvoertuig moet zijn voorzien van een parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen, maar ook dat die parkeerschijf duidelijk zichtbaar in het voertuig aanwezig moet zijn. Los van de vraag of ten tijde van de gedraging een parkeerschijf in het voertuig aanwezig was, kan op basis van de verklaring van de ambtenaar zoals die in het aanvullend proces-verbaal is opgenomen worden vastgesteld dat hij geen parkeerschijf (noch in het voertuig, noch achter de ruiten) heeft waargenomen. De lezing van de betrokkene, zelfs indien daarvan wordt uitgegaan, verhoudt zich met deze vaststelling. Immers verklaart de betrokkene zelf dat de parkeerschijf op het schuin aflopende dashboard lag waarbij de schijf staand voor het voertuig niet is te zien.
Het hof merkt omtrent de wijziging van de feitcode nog het volgende op. Anders dan de betrokkene meent, is het niet zo dat de ambtenaar de feitcode heeft gewijzigd. Uit de informatie in het dossier volgt dat de officier van justitie heeft beoordeeld dat de ambtenaar de onjuiste feitcode heeft ingevoerd en dat is overwogen dat gebleken is dat de gegevens op de aankondiging van beschikking niet juist zijn vermeld. De officier van justitie heeft in zijn beslissing gebruik gemaakt van zijn wijzigingsbevoegdheid, zodat de gegevens op de beschikking weer overeenstemden met de verklaring van de ambtenaar. Volgens vaste rechtspraak is het geoorloofd om de feitcode te wijzigen indien een betrokkene daardoor niet in de verdedigingsbelangen wordt geschaad. Uit het beroepschrift bij de kantonrechter blijkt dat de betrokkene wist dat hij zich moest verdedigen tegen het parkeren in strijd met een parkeerverbodszone (R584) en de hoogte van het sanctiebedrag voor beide gedragingen is gelijk. Het hof is dan ook van oordeel dat de betrokkene door de wijziging niet in diens belangen wordt geschaad.