ECLI:NL:GHARL:2021:8966

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 september 2021
Publicatiedatum
23 september 2021
Zaaknummer
Wahv 200.275.398/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 RVV 1990Art. 85 RVV 1990Art. 3 Wahv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens parkeren in parkeerverbodszone zonder duidelijk zichtbare parkeerschijf

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het parkeren in strijd met een parkeerverbodszone op het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht. Aanvankelijk werd de overtreding geregistreerd als stilstaand op het trottoir, maar de feitcode werd later gewijzigd naar parkeren in strijd met parkeerverbod. De betrokkene voerde aan dat zowel een gehandicaptenparkeerkaart als een parkeerschijf aanwezig waren, maar dat de schijf niet duidelijk zichtbaar was vanaf buiten het voertuig.

De ambtenaar verklaarde dat hij geen parkeerschijf had waargenomen, noch in het voertuig noch achter de ruiten. Volgens artikel 85, vierde lid, van het RVV 1990 moet de parkeerschijf duidelijk zichtbaar zijn. Het hof oordeelde dat de uitzondering voor gehandicaptenparkeerkaarten niet van toepassing was omdat de parkeerschijf niet zichtbaar was, en dat de betrokkene verantwoordelijk is voor de zichtbaarheid hiervan.

De wijziging van de feitcode door de officier van justitie werd als geoorloofd beoordeeld, omdat de betrokkene niet in zijn verdedigingsbelangen werd geschaad. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en handhaafde de sanctie van €95.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €95 wegens parkeren in een parkeerverbodszone zonder duidelijk zichtbare parkeerschijf.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.275.398/01
CJIB-nummer
: 225203462
Uitspraak d.d.
: 23 september 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 20 februari 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 9 september 2021, waar de betrokkene niet is verschenen en de advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, voetpad, (brom)fietspad of ruiterpad”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 april 2019 om 14:42 uur op het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] . Bij diens beslissing op het beroep d.d. 16 juli 2019 heeft de officier van justitie de feitcode en de omschrijving van de gedraging als volgt gewijzigd: R584: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1).
2.
De betrokkene is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hiertoe wordt aangevoerd dat op het moment van parkeren zowel een gehandicaptenparkeerkaart als een parkeerschijf achter de voorruit was geplaatst. De gehandicaptenparkeerkaart is op een vaste plaats achter de voorruit bevestigd en de parkeerschijf lag op het schuin aflopende dashboard. Staand voor het voertuig is deze schijf niet te zien, reden waarom de schijf op de foto van de ambtenaar vanwege de door hem ingenomen (lage) positie niet is te zien. De betrokkene bekruipt het vermoeden dat de ambtenaar, toen bleek dat hij voor een onjuiste feitcode had geschreven, op basis van de foto van de gedraging de feitcode heeft gewijzigd. Er had volgens de betrokkene echter een goede foto van het dashboard moeten worden gemaakt, omdat daarop te zien zou zijn dat er wel degelijk een parkeerschijf lag. Indien die schijf er niet had gelegen, had de ambtenaar ook niet tien minuten gewacht met het uitschrijven van de boete. Het had volgens de betrokkene op de weg van de kantonrechter gelegen om, gelet op deze gang van zaken, de betrokkene het voordeel van de twijfel te gunnen en de sanctie te vernietigen.
3. De vermeende gedraging betreft een overtreding van artikel 62 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling luidt als volgt:
“Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.”
4. Artikel 85, eerste lid, van het RVV 1990 luidt als volgt:
“Op bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht, zijn artikel 25 en Pro, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, 46 en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.”
5.
Het vierde lid van artikel 85 van Pro het RVV 1990 houdt in:
“In de gevallen, waarin niet langer dan drie uren mag worden geparkeerd, moet het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde zijn voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen.”
6.
De betrokkene ontkent niet te hebben geparkeerd op een plaats waar een parkeerverbod geldt, maar stelt dat hij daar mocht parkeren, nu er een gehandicaptenparkeerkaart en parkeerschijf achter de voorruit zouden zijn geplaatst.
7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Stilstaan waar een parkeerverbod geldt aangezien de personenauto zich in een parkeerzone bevindt Geen laad en losactiviteiten. Waarnemingstijd meer dan tien minuten.”
9. In een aanvullend proces-verbaal van 27 juni 2019 verklaart de ambtenaar - voor zover hier relevant - het volgende:
“Het is mij ambtshalve bekend dat hier een parkeerverbod zone van toepassing is. Dit wordt, voordat je het centrum van Maastricht binnenkomt, aangeduid met bord E1. Voordat je het onze Lieve Vrouwenplein binnenkomt, staat het bord C12. Het is mij ambtshalve bekend dat voor ‘De kopieerder’, Onze Lieve Vrouwenplein 16 te Maastricht, personenauto’s staan geparkeerd (…). Het is mij ambtshalve bekend dat mensen met een invalidenkaart de eerste drie uur op een betaalde parkeerplaats mogen parkeren. De burger dient naast deze kaart de parkeerschijf met de juiste tijd te gebruiken. Op bovengenoemde datum, tijd en plaats heb ik desbetreffende personenauto (…) zonder een bestuurder aangetroffen. De personenauto stond met vier banden op de openbare weg. Hier geldt bovengenoemd parkeerverbod. (…) Ik heb zowel in de personenauto, als achter de ruiten van genoemde personenauto, geen parkeerschijf waargenomen.”
10.
Het verweer van de betrokkene in acht nemende, overweegt het hof dat uit artikel 85, vierde lid, van het RVV 1990 zoals voormeld niet enkel volgt dat het motorvoertuig moet zijn voorzien van een parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen, maar ook dat die parkeerschijf duidelijk zichtbaar in het voertuig aanwezig moet zijn. Los van de vraag of ten tijde van de gedraging een parkeerschijf in het voertuig aanwezig was, kan op basis van de verklaring van de ambtenaar zoals die in het aanvullend proces-verbaal is opgenomen worden vastgesteld dat hij geen parkeerschijf (noch in het voertuig, noch achter de ruiten) heeft waargenomen. De lezing van de betrokkene, zelfs indien daarvan wordt uitgegaan, verhoudt zich met deze vaststelling. Immers verklaart de betrokkene zelf dat de parkeerschijf op het schuin aflopende dashboard lag waarbij de schijf staand voor het voertuig niet is te zien.
11. Dit betekent dat, wat er verder ook zij van de aanwezigheid van de parkeerschijf in het voertuig van de betrokkene op het onder 1. vermelde moment, er geparkeerd is in strijd met een parkeerverbodszone en dat de (op dat verbod om te parkeren in artikel 85, vierde lid, RVV 1990 omschreven) uitzonderingssituatie niet van toepassing was, nu niet aan de daarin omschreven vereisten is voldaan. Het is de verantwoordelijkheid van de betrokkene om ervoor te zorgen dat de parkeerschijf duidelijk zichtbaar achter de voorruit van zijn voertuig ligt. Dit betekent dat de gedraging is verricht en dat hiervoor terecht een sanctie is opgelegd.
12.
Het hof merkt omtrent de wijziging van de feitcode nog het volgende op. Anders dan de betrokkene meent, is het niet zo dat de ambtenaar de feitcode heeft gewijzigd. Uit de informatie in het dossier volgt dat de officier van justitie heeft beoordeeld dat de ambtenaar de onjuiste feitcode heeft ingevoerd en dat is overwogen dat gebleken is dat de gegevens op de aankondiging van beschikking niet juist zijn vermeld. De officier van justitie heeft in zijn beslissing gebruik gemaakt van zijn wijzigingsbevoegdheid, zodat de gegevens op de beschikking weer overeenstemden met de verklaring van de ambtenaar. Volgens vaste rechtspraak is het geoorloofd om de feitcode te wijzigen indien een betrokkene daardoor niet in de verdedigingsbelangen wordt geschaad. Uit het beroepschrift bij de kantonrechter blijkt dat de betrokkene wist dat hij zich moest verdedigen tegen het parkeren in strijd met een parkeerverbodszone (R584) en de hoogte van het sanctiebedrag voor beide gedragingen is gelijk. Het hof is dan ook van oordeel dat de betrokkene door de wijziging niet in diens belangen wordt geschaad.
13. Er wordt als volgt beslist.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.