Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling van zijn zoon en ex-echtgenote.
De mishandelingen betroffen meerdere geweldshandelingen in de periode van april 2017 tot mei 2018. Het hof oordeelde dat slechts twee specifieke feiten wettig en overtuigend bewezen konden worden: het slaan in de nek van zijn zoon op 2 mei 2018 en het met kracht bij de keel pakken van zijn ex-echtgenote op 1 mei 2018. Andere tenlastegelegde feiten werden wegens gebrek aan bewijs verworpen.
De bewezenverklaarde feiten kwalificeerden als mishandeling. Het hof hield rekening met de aard en ernst van de feiten, de persoon van verdachte en het feit dat familierelaties gespannen zijn maar geen nieuwe fysieke aanvallen plaatsvonden. Verdachte had een eerdere justitiële registratie voor andere feiten, die niet strafverzwarend werd meegewogen.
De redelijke termijn was in eerste aanleg licht overschreden, maar dit werd gecompenseerd door de voortvarende behandeling in hoger beroep. Het hof legde een taakstraf van 40 uren op, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, als stok achter de deur om herhaling te voorkomen. De voorarresttijd werd verrekend volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per dag voorarrest.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze aangepaste bewezenverklaring en strafoplegging.