ECLI:NL:GHARL:2021:9090

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
28 september 2021
Zaaknummer
Wahv 200.270.551/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Correctie dwangsom bij niet tijdig beslissen op administratief beroep verkeersvoorschriften

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die een dwangsom van €310,- had vastgesteld wegens het niet tijdig beslissen op een administratief beroep in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de kantonrechter onjuiste, verouderde tarieven uit artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had toegepast. Volgens de geldende tarieven per 1 januari 2019 had de dwangsom hoger moeten zijn, namelijk €357,-.

Het hof stelde vast dat de gewijzigde tarieven van toepassing zijn omdat de ingebrekestelling door de officier van justitie op 4 april 2019 werd ontvangen. De kantonrechter had ten onrechte de oude tarieven gehanteerd. Het hof berekende de dwangsom correct op €322,- voor de periode van 19 april 2019 tot 3 mei 2019.

Het hof vernietigde het deel van de beslissing van de kantonrechter over de hoogte van de dwangsom, stelde de juiste dwangsom vast en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

Deze uitspraak bevestigt het belang van het toepassen van de juiste, actuele wettelijke tarieven bij de vaststelling van dwangsommen in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: De officier van justitie is een dwangsom van €322,- verschuldigd; het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.270.551/01
CJIB-nummer
: 219877089
Uitspraak d.d.
: 28 september 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 25 november 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard, vastgesteld dat de officier van justitie een dwangsom verschuldigd is en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij de hoogte van de in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep verschuldigde dwangsom is vastgesteld op € 310,-. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter bij de berekening van het bedrag van de dwangsom is uitgegaan van de onjuiste (oude) bedragen uit artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er had niet gerekend moeten worden met een bedrag van € 20,- voor de eerste veertien dagen en een bedrag van € 30,- voor de daarop volgende veertien dagen, maar, gelet op het tweede lid van voormeld artikel zoals dat gold ten tijde van het beroep, een bedrag van € 23,- voor de eerste veertien dagen en een bedrag van € 35,- voor de daarop volgende veertien dagen. Dit betekent volgens de gemachtigde dat in totaal een bedrag van € 357,- aan dwangsom toegekend had moeten worden.
2. Het hof stelt vast dat de dagtarieven voor het vaststellen van een dwangsom op 1 januari 2019 zijn gewijzigd naar € 23,- voor de eerste veertien dagen, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- en de overige dagen € 45,- per dag (artikel 4:17, tweede lid, van de Awb). Bepalend of de gewijzigde tarieven van toepassing zijn, is de datum waarop de ingebrekestelling door de officier van justitie is ontvangen (Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 november 2018, nr. 2406921, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, Stcrt. 22 november 2018, 65542). In het onderhavige geval heeft de officier van justitie op 4 april 2019 de ingebrekestelling ontvangen. De gewijzigde tarieven zijn dus van toepassing. De kantonrechter heeft onjuiste tarieven toegepast en daardoor de hoogte van de verschuldigde dwangsom niet juist vastgesteld.
3. De ingebrekestelling is op 4 april 2019 door de officier van justitie ontvangen. De officier van justitie is een dwangsom verschuldigd van 19 april 2019 tot 3 mei 2019, de datum waarop op het administratief beroep is beslist. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 322,- (14 x € 23,-). Het hof zal de beslissing van de kantonrechter op dit punt vernietigen en - doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen - bepalen dat de officier van justitie een dwangsom van € 322,- verschuldigd is.
4. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en
1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij de hoogte van de in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep verschuldigde dwangsom is vastgesteld;
bepaalt dat de officier van justitie aan de betrokkene een dwangsom van € 322,- verschuldigd is;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.