ECLI:NL:GHARL:2021:9101

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
28 september 2021
Zaaknummer
Wahv 200.282.557/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Anjewierden
  • Van Schuijlenburg
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 23 lid 1 RVV 1990Art. 1 RVV 1990Art. 7:18 lid 4 AwbArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen bestuurlijke sanctie wegens stilstaand voertuig op kruispunt

In hoger beroep tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een bestuurlijke sanctie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de eerdere beslissing vernietigd. De betrokkene werd gesanctioneerd voor het veroorzaken van gevaar of hinder door het parkeren van een voertuig op een kruising. De verdediging voerde aan dat onvoldoende is vastgesteld waar precies werd geparkeerd en dat er geen sprake was van gevaar of hinder.

Het hof oordeelde dat de ambtenaar onvoldoende onderbouwde waaruit gevaar of hinder zou blijken en dat de ambtelijke verklaring summier was. Wel stelde het hof vast dat het voertuig stil stond op een kruispunt in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Daarom wijzigde het hof de feitcode naar het laten stilstaan van een voertuig op een kruispunt, waarvoor eveneens een sanctie geldt.

De feitcode wijziging schaadt de betrokkene niet in zijn verdedigingsbelangen omdat het feitencomplex gelijk blijft en de sanctie gelijk is. Het hof veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene. Hiermee werd het beroep gegrond verklaard en de eerdere sanctie vernietigd.

Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere sanctie wegens gevaar of hinder en wijzigt de feitcode naar stilstaand voertuig op kruispunt met vergoeding van proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.282.557/01
CJIB-nummer
: 226768373
Uitspraak d.d.
: 28 september 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 9 juli 2021 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De meervoudige kamer heeft het onderzoek gesloten.

De beoordeling

1. Namens de betrokkene ontkent de gemachtigde de gedraging. De gemachtigde voert aan dat het voor de vaststelling van de gedraging cruciaal is waar de betrokkene precies parkeerde. Het had op de weg van de ambtenaar gelegen om een foto te maken.
2. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep het brondocument en vier foto’s overgelegd. Op deze foto’s is een wit voertuig zichtbaar. Op twee van de vier foto’s is zichtbaar dat het witte voertuig is voorzien van het kenteken [kenteken] .
3. Het verweer van de gemachtigde dat de ambtenaar geen foto heeft gemaakt, treft gelet op de door de advocaat-generaal overgelegde foto’s geen doel. Met de gemachtigde stelt het hof evenwel vast dat pas in hoger beroep de betreffende foto’s aan het dossier zijn toegevoegd. De gemachtigde heeft in administratief beroep reeds verzocht om op de zaak betrekking hebbende stukken waaronder een foto. Door deze niet te verstrekken, heeft de officier van justitie gehandeld in strijd met artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen.
5. Het hof zal thans het beroep tegen de inleidende beoordeling beoordelen. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij die beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staat dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd” (feitcode R395). Deze gedraging zou zijn verricht op 17 juni 2019 om 11.21 uur op de Stationsweg in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
6. De gemachtigde stelt dat de in het zaakoverzicht weergegeven verklaring van de ambtenaar niet op ambtseed of ambtsbelofte is afgelegd, niet ondertekend en erg summier is. Uit de beschikbare gegevens volgt onvoldoende dat de gedraging is begaan. Voor “gevaar” of “hinder” is meer nodig dan het in de buurt zijn van een t-splitsing. De ambtenaar heeft niet verklaard waaruit het evidente “gevaar of hinder” blijkt. De gemachtigde heeft afbeeldingen van de locatie en de kruisende weg overgelegd. Uit het dossier blijkt niet waar de betrokkene precies heeft geparkeerd. De kruisende weg betreft een geslotenverklaring. De bestelbus was vanuit alle gezichtsvelden goed en duidelijk zichtbaar en de alarmlichten stonden aan. Dat een reële kans op gevaar bestond voor het overige wegverkeer is niet aannemelijk. De ambtenaar heeft niet toegelicht waaruit een dergelijk gevaar zou (kunnen) bestaan. Het overige verkeer kon langs het voertuig. De gevarenlichten van het voertuig waren aan. Enige hinder bij een aannemersklus op een drukke weg in Den Haag is onvermijdelijk, maar de betrokkene heeft zijn best gedaan het overige verkeer te waarschuwen. Gelet op de uitleg van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) staat onvoldoende vast dat sprake is van “gevaar” of “hinder”.
7. De advocaat-generaal heeft het hof in overweging gegeven om de feitcode te wijzigen. Volgens de advocaat-generaal is er sprake van de gedraging “als bestuurder een voertuig laten stilstaan op een kruispunt” (feitcode R396a). De gemachtigde heeft zich tegen deze wijziging verzet.
8. Het hof stelt voorop dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedige en ondertekende verklaring van een ambtenaar ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. De vaststelling dat een gedraging is verricht, kan ook worden gebaseerd op de gegevens in het zaakoverzicht. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of (de gemachtigde van) de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Overtreden artikel: 5 WVW 1994 (…)
Opmerkingen ambtenaar 1: op bovengenoemde datum en tijdstip bevond ik, verbalisant (…), mij in uniform gekleed op de openbare weg de Stationsweg ter hoogte van perceelnummer 68. Ik zag toen dat daar een voertuig zodanig op de rijbaan stond, dat het gevaar kon worden veroorzaken en het verkeer werd gehinderd. Ik zag daar namelijk het voertuig met het Nederlands kenteken [kenteken] , kleur wit, merk Mercedes-Benz. Ik zag toen dat het voertuig met vier wielen stond op de rijbaan, waar er ook een t-splitsing was gesitueerd. Ik zag dat de waarschuwingslichten van het voertuig aan stonden. (…) Ik heb een kennisgeving van de beschikking achter de ruitenwisser van de voorruit geplaatst.”
10. De gedraging met feitcode R395 waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd, betreft de overtreding van artikel 5 van Pro de WVW 1994. Dit artikel luidt:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
11. Hetgeen de ambtenaar in het zaakoverzicht heeft verklaard is naar het oordeel van het hof onvoldoende voor de vaststelling dat sprake is van overtreding van artikel 5 van Pro de WVW 1994. De inleidende beschikking kan daarom niet ongewijzigd in stand blijven.
12. De gedraging met feitcode R396a betreft de overtreding van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Hierin is bepaald dat de bestuurder zijn voertuig niet mag laten stilstaan op een kruispunt.
13. Op grond van artikel 1 van Pro het RVV 1990 wordt onder kruispunt verstaan:
“kruising of splitsing van wegen”.
14. Op de door de gemachtigde overgelegde afbeeldingen is te zien dat een andere weg uitkomt op de Stationsweg. Er is derhalve sprake van een kruispunt in de zin van het RVV 1990. Een t-splitsing is namelijk eveneens een kruispunt in de zin van het RVV 1990 (vgl. het arrest van het hof van 4 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:10367).
15. Op grond van de gegevens in het zaakoverzicht en de door de advocaat-generaal overgelegde foto’s kan worden vastgesteld dat het onderhavige voertuig stilstond op een kruispunt. Waar het onderhavige voertuig precies stilstond, kan mede worden vastgesteld aan de hand van de door de advocaat-generaal overgelegde afbeeldingen, nu het pand op de hoek van het desbetreffende kruispunt op zowel een door de advocaat-generaal overgelegde foto als door de gemachtigde overgelegde afbeeldingen zichtbaar is. De gedraging met feitcode R396a kan derhalve worden vastgesteld.
16. Het hof ziet aldus aanleiding om de feitcode te wijzigen in feitcode R396a die hoort bij de gedraging “als bestuurder een voertuig laten stilstaan op een kruispunt”. Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het geoorloofd om de feitcode te wijzigen indien de betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. Nu het aan de gewijzigde kwalificatie ten grondslag liggende feitencomplex hetzelfde blijft en daarnaast de hoogte van het bedrag van de sanctie van laatstgenoemde gedraging gelijk is aan het bedrag van de sanctie van de in de inleidende beschikking genoemde gedraging, is het hof van oordeel dat de betrokkene door de wijziging van de feitcode niet in zijn belangen is geschaad.
17. Gelet op het voorgaande zal het hof de inleidende beschikking wijzigen als hieronder vermeld.
18. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van beroepschrift bij de kantonrechter, het via een telefonische verbinding bijwonen van de zitting van de kantonrechter, het indienen het hoger beroepschrift en het bijwonen van de zitting in hoger beroep dienen in totaal vijf procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 534,- en voor het (hoger) beroep
€ 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 1.896,50 (= 1,5 x € 534,- x 0,5 + 4 x € 748,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat de omschrijving van de gedraging en de bijbehorende feitcode worden vastgesteld op: “als bestuurder een voertuig laten stilstaan op een kruispunt”, feitcode R396a;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.896,50.
Dit arrest is gewezen door mrs. Anjewierden, Van Schuijlenburg en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.