ECLI:NL:GHARL:2021:9226

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 september 2021
Publicatiedatum
30 september 2021
Zaaknummer
Wahv 200.263.457/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor hinder veroorzaken door stilstaan op fietsstrook

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het laten staan van een voertuig op de Bergweg in Rotterdam, waardoor hinder en mogelijk gevaar ontstond voor fietsers en andere weggebruikers. De overtreding betrof artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, dat verbiedt gedrag dat gevaar of hinder op de weg veroorzaakt.

De betrokkene stelde dat een meer specifieke feitcode (R396b) van toepassing was voor het stilstaan op een fietsstrook, waarbij hinder al verdisconteerd is, en beriep zich op het vertrouwensbeginsel omdat de ambtenaar een lagere sanctie had aangekondigd. Het hof oordeelde echter dat de ambtenaar vrij was om de algemene sanctie op grond van artikel 5 WVW Pro 1994 op te leggen, omdat de hinder niet volledig in de specifieke feitcode was verdisconteerd.

De betrokkene erkende het stilstaan op de fietsstrook, en het bewijs bestond uit een foto en een verklaring van de ambtenaar. Het hof verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel wegens gebrek aan onderbouwing. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: De sanctie voor het veroorzaken van hinder door stilstaan op de fietsstrook wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.263.457/01
CJIB-nummer
: 215283290
Uitspraak d.d.
: 30 september 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 maart 2018 om 16.45 uur op de Bergweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de inleidende beschikking geen stand kan houden, nu ten onrechte is gesanctioneerd voor de algemene feitcode behorend bij overtreding van het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), terwijl een meer specifieke feitcode van toepassing is op de onderhavige situatie (R396b: het laten stilstaan van een voertuig op een fietsstrook). In die feitcode is het veroorzaken van hinder reeds verdisconteerd. Het stond de ambtenaar om die reden niet vrij om te schrijven voor een andere, meer algemene, feitcode. Bovendien heeft de ambtenaar bij de staandehouding medegedeeld dat een sanctie zou worden opgelegd voor het laten stilstaan van een voertuig op een fietsstrook, waarbij een lager sanctiebedrag hoort. Nu de ambtenaar voor een andere gedraging heeft geschreven, beroept de betrokkene zich op het vertrouwensbeginsel.
3. De onder 1. vermelde gedraging is een overtreding van artikel 5 van Pro de WVW 1994 dat luidt:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
4. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in:
“Ik zag dat het voertuig op zodanige wijze op de weg stond waardoor gevaar werd dan wel kon worden veroorzaakt. (…) Het (mogelijke) gevaar bestond uit: fietsers moesten over de openbare weg fietsen tijdens de regenachtige spits. Zeer gevaarlijke situatie.
Overtreden artikel: 5 WVW 1994 (…)
Verklaring betrokkene: ik moest een pakket ophalen en er stond al een voertuig geparkeerd.
5. In het dossier bevindt zich voorts een foto die de ambtenaar ter plaatse heeft gemaakt. Op deze foto is te zien dat het voertuig met kenteken [kenteken] stilstaat op een fietsstrook. Het voertuig staat parallel naast een ander (geparkeerd) voertuig.
6. Namens de betrokkene wordt niet betwist dat hij stilstond op een fietsstrook.
7. Uit de verklaring van de ambtenaar en de overgelegde foto volgt dat het voertuig van de betrokkene zodanig op de fietsstrook stond dat hinder en (mogelijk) gevaar werd veroorzaakt voor fietsers die er niet langs konden en in de regenachtige spits moesten uitwijken naar de rijbaan. Ook leverde dit hinder op voor weggebruikers voor wie de toegang tot of het vertrek uit het parkeervak werd geblokkeerd. Niet valt in te zien waarom het de ambtenaar in deze situatie niet vrijstond om een sanctie op te leggen op grond van artikel 5 WVW Pro 1994. Dat voor het stilstaan op een fietsstrook een specifieke feitcode in het leven is geroepen, maakt niet dat in de onderhavige situatie, nu niet alle geconstateerde hinder geacht kan worden te zijn verdisconteerd in één gedraging, geen sanctie kon worden opgelegd voor overtreding van het bepaalde in artikel 5 WVW Pro 1994.
8. Het hof verwerpt voorts het beroep op het vertrouwensbeginsel. De enkele, niet onderbouwde stelling van de gemachtigde dat de ambtenaar zou hebben toegezegd een sanctie op te leggen voor de gedraging behorend bij feitcode R396b, is onvoldoende om aan te nemen dat een dergelijke toezegging is gedaan door de ambtenaar.
9. Voorgaande betekent dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en dat die beslissing zal worden bevestigd. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.