ECLI:NL:GHARL:2021:9240

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 september 2021
Publicatiedatum
30 september 2021
Zaaknummer
Wahv 200.285.455/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens niet tonen rijbewijs na staandehouding

De betrokkene werd op 23 mei 2019 staande gehouden wegens het niet tonen van het rijbewijs op eerste vordering. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene voerde aan dat hij op het tijdstip van de overtreding elders was en dat de identiteit niet juist was vastgesteld, mede vanwege het ontbreken van een foto ter onderbouwing en het bestaan van broers met gelijke kenmerken.

De ambtenaar stelde controlevragen en vergeleek de bestuurder met een RDW-foto in het MEOS-systeem, waarna hij met 100% zekerheid de identiteit vaststelde. Het hof oordeelde dat de identiteit op juiste wijze was vastgesteld en dat de enkele stelling dat iemand anders de gegevens zou hebben opgegeven onvoldoende was. De foto in MEOS werd niet als bewijs van de gedraging gebruikt, maar ter vaststelling van de identiteit.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De sanctie van €95 blijft gehandhaafd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €95 wegens het niet tonen van het rijbewijs en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.285.455/01
CJIB-nummer
: 225883895
Uitspraak d.d.
: 30 september 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 15 september 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 16 september 2021. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 mei 2019 om 16:12 uur op de locatie Scharlo in Waspik met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gedraging is komen vast te staan. De betrokkene heeft verklaard dat hij rond het tijdstip op de kappersstoel in Gouda zat. Dit is onderbouwd met een getuigenverklaring. Daar komt bij dat de betrokkene niks te zoeken heeft in de gemeente Waalwijk en hij kan nooit in 12 minuten van Gouda naar Waalwijk rijden. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat niet is komen vast te staan dat de juiste persoon is bekeurd. De ambtenaar heeft niet de foto overgelegd waaruit zou blijken dat hij zeker weet dat de betrokkene de staandegehouden persoon betreft. Daar komt bij dat de betrokkene vele broers heeft die qua leeftijd en uiterlijk niet veel verschillen van de betrokkene.
De identiteit is ook niet vastgesteld op grond van de Wet op de identificatieplicht. Ter zitting heeft de gemachtigde nog aangevoerd dat de foto uit MEOS een op de zaak betrekking hebbend stuk is en aan het dossier had moeten worden toegevoegd.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Voor het besturen van dit motorrijtuig was vereist een rijbewijs B. Ik, verbalisant, heb de betrokkene gevorderd om het rijbewijs ter inzage af te geven. De betrokkene heeft geen gehoor gegeven aan deze vordering. Bij onderzoek is gebleken dat aan betrokkene een geldig rijbewijs voor de onderhavige categorie(en) was afgegeven. (…) Omdat hij geen rijbewijs of ander geldig legitimatiebewijs liet zien stelde ik een aantal controlevragen om zijn identiteit te bevestigen:
  • Wat zijn je doopnamen
  • Wat is je adres
  • Wat is je geboorteplaats
Daarnaast was de foto in mijn MEOS bevraging geheel gelijkend met de persoon die voor mij stond.”
4. In het aanvullend proces-verbaal van 14 april 2020 verklaart de ambtenaar het volgende:
“Ik heb de controlevragen gesteld en deze werden allemaal juist beantwoord. Dat zou in theorie nog een broer kunnen doen, maar om alle twijfel weg te halen had ik ook de RDW-foto in mijn MEOS bevraagd en deze was geheel gelijkend met de persoon voor mij. Hierdoor kon ik met 100% zekerheid zeggen dat ik de juiste persoon voor mij had. Als ik het maar 99% zeker wist had ik hem aangehouden voor wet ID, maar dit achtte ik niet nodig.”
5. Het hof ziet in de wijze waarop de ambtenaar de identiteit van de bestuurder heeft vastgesteld geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de betrokkene degene is geweest die is staande gehouden. De enkele niet onderbouwde stelling dat iemand anders (wellicht een broer) kennelijk de gegevens van de betrokkene heeft opgegeven is daartoe onvoldoende. Anders dan de gemachtigde meent is de ambtenaar niet verplicht om de identiteit van de bestuurder vast te stellen conform artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht, maar kan deze ook op andere wijze worden vastgesteld. De ambtenaar heeft de identiteit vastgesteld middels controlevragen en na het vergelijken van de foto in MEOS was de ambtenaar er geheel zeker van dat de opgegeven personalia klopten. Anders dan de gemachtigde stelt, is de foto in MEOS geen op de zaak betrekking hebbend stuk. Deze foto is niet gebruikt om de gedraging, maar om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, zodat de sanctie aan de bestuurder kon worden opgelegd. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding eraan te twijfelen dat de betrokkene de persoon is geweest die is staande gehouden. De verklaring van de getuige die is overgelegd, brengt het hof niet tot een ander oordeel.
6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek om vergoeding van proceskosten afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.