De moeder was sinds 2017 haar ouderlijk gezag over haar twee dochters kwijtgeraakt, nadat de rechtbank dit had beëindigd en het hof dit in 2018 had bekrachtigd. De kinderen waren vanaf begin 2013 uithuisgeplaatst en stonden onder gezag van een gecertificeerde instelling.
De moeder verzocht om herstel van het gezag, maar dit verzoek werd in april 2020 door de rechtbank afgewezen. Hiertegen ging zij in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de procedure werd duidelijk dat de kinderen inmiddels weer bij de moeder wonen en dat alle betrokken partijen, waaronder de gecertificeerde instelling, pleegouders en de raad voor de kinderbescherming, positief stonden tegenover het herstel van het gezag.
Het hof stelde vast dat de moeder en haar dochters intensief therapie hadden gevolgd en dat de hulpverlening positieve rapportages gaf. De kinderen gaven aan blij te zijn met de terugplaatsing en dat er goed naar hen geluisterd werd. Het hof oordeelde dat het herstel van het gezag in het belang van de kinderen is en dat de moeder duurzaam verantwoordelijk kan zijn voor hun verzorging en opvoeding.
Daarom vernietigde het hof de eerdere beschikking van de rechtbank en herstelde de moeder in haar gezag. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor de voogdij van de gecertificeerde instelling direct eindigde. Het hof sprak ook de wens uit dat de pleegouders een plek in het leven van de kinderen behouden.