ECLI:NL:GHARL:2021:9292

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 oktober 2021
Publicatiedatum
4 oktober 2021
Zaaknummer
Wahv 200.288.259
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 6 EVRMArt. 31 Wahv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging stelsel kentekenaansprakelijkheid niet strijdig met onschuldpresumptie EVRM

De betrokkene werd als kentekenhouder administratief gesanctioneerd voor een snelheidsovertreding op de A1 op 13 juni 2019. Hij voerde aan dat het opleggen van de sanctie in strijd was met de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM Pro, omdat de overheid niet alle technische mogelijkheden had benut om de identiteit van de bestuurder vast te stellen.

Het hof overwoog dat het Falk-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet vereist dat de overheid alle technisch mogelijke middelen moet inzetten om de bestuurder te achterhalen. Het systeem van kentekenaansprakelijkheid is geoorloofd zolang de gebruikte methoden in redelijke verhouding staan tot het doel van handhaving.

Het hof vond geen reden om aan te nemen dat in deze zaak die redelijke verhouding werd overschreden, ook al was er geen foto van het gezicht van de bestuurder gemaakt. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene terecht ongegrond verklaard, maar was niet inhoudelijk op de bezwaren ingegaan. Het hof bevestigde daarom de beslissing met verbetering van gronden.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete voor kentekenaansprakelijkheid en oordeelt dat het stelsel niet in strijd is met de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.288.259/01
CJIB-nummer
: 226908015
Uitspraak d.d.
: 4 oktober 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 9 november 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht en daarbij verzocht om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 20 september 2021. De betrokkene is, zoals op voorhand aangekondigd, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 86,- voor: “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 11 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 juni 2019 om 16.40 uur op de A1 links hmp 20.8 in Naarden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de sanctie, die aan hem als kentekenhouder is opgelegd, in strijd is met de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De betrokkene benadrukt dat de argumenten die hij hiervoor aandraagt niet gaan over de kwestie of de constructie van de kentekenaansprakelijkheid zoals in Nederland wordt gehanteerd al dan niet in strijd is met het internationale recht, maar dat zijn betoog inhoudt dat het arrest Falk niet zodanig mag worden uitgelegd dat kentekenaansprakelijkheid in alle gevallen geoorloofd is waarin de identiteit van de bestuurder redelijkerwijs niet kon worden vastgesteld door het staande houden van de bestuurder van het voertuig. De betrokkene stelt dat wanneer er andere (technologische) mogelijkheden bestaan of ontstaan waarmee redelijkerwijs de identiteit van de bestuurder vastgesteld kan worden, deze door de overheid ook gebruikt moeten worden. Dit is volgens de betrokkene niet vrijblijvend, aangezien de kentekenaansprakelijkheid de uitzondering is die gerechtvaardigd moet worden. De rechtvaardiging kan erin bestaan dat het belang van de effectieve handhaving van verkeersvoorschriften zwaarder weegt dan de onschuldpresumptie. Maar wanneer effectieve handhaving van verkeersvoorschriften mogelijk is zonder dat de onschuldpresumptie wordt geschonden, is de overheid op grond van artikel
6, tweede lid, van het EVRM tot deze wijze van handhaving verplicht. Nederland komt deze verplichting niet na. De inleidende beschikking moet om die reden vernietigd worden. De kantonrechter is niet inhoudelijk op de aangevoerde bezwaren ingegaan.
3. Artikel 6, tweede lid van het EVRM luidt als volgt:
“Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.”
4. In artikel 5 van Pro de Wahv is het volgende bepaald:
“Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in artikel 8.”
5. De Hoge Raad, in zijn arrest van 15 juli 1993 (NJ 1994, 177), en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), in zijn uitspraak van 19 oktober 2004 (nr. 66273/01, gepubliceerd in het blad Verkeersrecht 2005,1 met noot Simmelink, het zogenoemde arrest Falk), hebben geoordeeld dat de oplegging van een administratieve sanctie op de voet van artikel 5 van Pro de Wahv niet in strijd is met de in het tweede lid van artikel 6 van Pro het EVRM neergelegde presumptie van onschuld.
6. Het standpunt van de betrokkene komt er in de kern op neer dat de wijze waarop (thans) toepassing wordt gegeven aan artikel 5 van Pro de Wahv, waarbij door de overheid (in technisch opzicht) onvoldoende wordt gedaan om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, in strijd is met de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid van het EVRM. In administratief beroep heeft de betrokkene betoogd dat ten onrechte geen foto van het gezicht van de bestuurder van het voertuig is gemaakt.
7. In het Falk-arrest hanteert het EHRM als maatstaf: “in employing presumptions in criminal law, the Contracting States are required to strike a balance between the importance of what is at stake and the rights of the defence; in other words, the means employed have to be reasonably proportionate to the legitimate aim pursued”.
8. Het Falk-arrest biedt geen grondslag voor de stelling dat de overheid steeds alles zou moeten doen wat redelijkerwijs technisch mogelijk is om de bestuurder van het voertuig te achterhalen. Zolang de gehanteerde methoden in een redelijke verhouding staan tot het doel, is het systeem van handhaving op kenteken geoorloofd.
9. Het hof heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat in de hier aan de orde zijnde situatie van zodanige redelijke verhouding geen sprake is. Dat geen foto van het gezicht van de bestuurder van het voertuig is gemaakt, noopt niet tot die conclusie. Het hof ziet in het aangevoerde geen reden waarom de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.
10. Met de betrokkene moet wel worden vastgesteld dat de kantonrechter in zijn beslissing met de enkele verwijzing naar de hierboven onder 5 genoemde jurisprudentie niet inhoudelijk op het bezwaar van de betrokkene is ingegaan. De beslissing van de kantonrechter wordt daarom bevestigd met verbetering van gronden.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.