ECLI:NL:GHARL:2021:9294

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 oktober 2021
Publicatiedatum
4 oktober 2021
Zaaknummer
Wahv 200.289.491
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 2 WahvArt. 5.1.1 Regeling voertuigenArt. 5.2.51 Regeling voertuigenArt. 5.2.55 Regeling voertuigen
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor rijden met defect dimlicht ondanks betwisting

Betrokkene werd bij een inleidende beschikking gesanctioneerd wegens het rijden met een defect rechter dimlicht op 28 maart 2019 in Amsterdam. De betrokkene betwistte dat zij reed en voerde aan dat slechts één dimlicht defect was, terwijl de feitcode meervoudig defect vermeldde. Ook werd aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte niet op dit verweer was ingegaan.

Het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaren, die de overtreding constateerden, betrouwbaar was en dat betrokkene onvoldoende onderbouwing gaf om deze te betwijfelen. Het feit dat het aanvullend proces-verbaal pas zes maanden later werd opgesteld, deed hieraan niet af. De sanctie was terecht opgelegd op grond van de Regeling voertuigen, niet op basis van de gedragsregel uit het RVV 1990.

Hoewel het hof constateerde dat de kantonrechter een motiveringsgebrek had door niet in te gaan op het verweer over de feitcode, deed dit geen afbreuk aan de juistheid van de beslissing. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie voor rijden met defect rechter dimlicht en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.289.491/01
CJIB-nummer
: 224530550
Uitspraak d.d.
: 4 oktober 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2021, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding en er is verzocht om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 20 september 2021. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de dimlichten niet aan de eisen voldoen (N560)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 maart 2019 om 21.33 uur op de Jephtastraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde stelt dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Hij voert daartoe meerdere redenen aan. In de eerste plaats houdt de gedraging het verwijt in dat de dimlichten, meervoud, niet aan de eisen voldoen, terwijl uit de gegevens in het dossier blijkt dat in het geval van de betrokkene alleen het rechter dimlicht niet zou hebben gewerkt. Daarnaast heeft de betrokkene van meet af aan weersproken dat zij reed ten tijde van het constateren van de gedraging. Zij heeft kort na de vermeende gedraging verklaard dat zij stilstond in haar straat toen er twee ambtenaren te fiets op haar afstapten. De aanvullende verklaring van de ambtenaar, die volgens de gemachtigde naar aanleiding van een suggestief geformuleerd verzoek van de officier van justitie is afgegeven, is een half jaar na de gedraging opgesteld. Het tijdsverloop in combinatie met de wijze waarop om deze verklaring is verzocht, vormen aanleiding om te twijfelen aan die verklaring. Bovendien vraagt de gemachtigde zich af wat een betrokkene nog meer tegenover een verklaring van een ambtenaar kan stellen dan een weergave van het eigen verhaal. Subsidiair stelt de gemachtigde dat er een verkeerde feitcode is toegepast. Volgens de gemachtigde wordt in de noot in de bijlage bij de Wahv dwingend voorgeschreven dat bij het niet branden van dimlicht geen sanctie op basis van het Reglement voertuigen wordt opgelegd, maar dat de grondslag voor de gedraging moet worden gevonden in artikel 32, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Ter zitting voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte niet op deze beroepsgrond is ingegaan.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Wij verbalisanten zagen dat bij het betrokken voertuig het rechter voor dimlicht niet werkte.
Overtreden artikel: 5.2.56 RV (…)
Verklaring betrokkene: geen verklaring.”
5. De officier van justitie heeft, naar aanleiding van het beroepschrift van de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie, de ambtenaren om aanvullende informatie verzocht. In een aanvullend proces-verbaal van 25 september 2019 is het volgende verklaard:
“Op 28 maart 2019, omstreeks 21.30 uur, was ik, verbalisant [verbalisant1] , belast met de surveillance op de fiets met verbalisant [verbalisant2] . Wij zagen de betrokkene rijden uit de richting van de Leeuwendalersweg met een rechter dimlicht voor dat niet functioneerde. De stelling van de betrokkene in beroep dat we de betrokkene niet zagen rijden is onjuist. De betrokkene heeft bij het beroep foto’s gezonden waarop te zien is dat beide dimlichten werken, dit is echter geweest nadat ik de beschikking had aangezegd. De betrokkene gaf een aantal harde klappen op het armatuur waarop de verlichting weer aansprong. Dit geeft echter geen garantie dat de verlichting van het betrokken voertuig daadwerkelijk is gerepareerd en dus de overtreding is gestopt.
Ook zie ik in mijn backoffice dat ik de juiste feitcode en de juiste categorie heb gebruikt voor deze beschikking. (…)”
6. In de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv is omschreven welke gedragingen onder het regime van de Wahv vallen. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 5.1.1, eerste lid en onder c., jo. artikel 5.2.51, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 5.2.55, eerste lid, en artikel 5.2.56, eerste lid van de Regeling voertuigen (Rv). Deze gedraging is in de bijlage als volgt omschreven:
Als bestuurder van een voertuig rijden terwijl de dimlichten niet aan de eisen voldoen. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt mee dat niet alleen als beide dimlichten niet aan de eisen voldoen, maar ook als slechts één van de dimlichten daaraan niet voldoet op grond van de Wahv een sanctie kan worden opgelegd.
7. Voor de beantwoording van de vraag of de gedraging is verricht, is van belang dat de bestuurder met het voertuig reed op het moment dat het rechter dimlicht niet werkte.
8. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaren dat de betrokkene heeft gereden terwijl het rechter dimlicht op dat moment niet voldeed aan de eisen. Hetgeen de gemachtigde daar tegenover heeft gesteld, houdt in feite niet meer in dan de enkele, niet nader onderbouwde, stelling dat zij niet heeft gereden. Dat is onvoldoende om de verklaring van de ambtenaren als ongeloofwaardig ter zijde te stellen. Hierbij merkt het hof op dat de omstandigheid dat de ambtenaren het aanvullend proces-verbaal zes maanden na de vaststelling van de gedraging hebben opgemaakt, op zichzelf niet maakt dat deze verklaring onbetrouwbaar is. Het is het hof ambtshalve bekend dat ambtenaren na constatering van een gedraging aantekeningen plegen te maken van hun waarneming, welke aantekeningen zij raadplegen als later om aanvulling wordt verzocht.
9. Op basis van de verklaring van de ambtenaren kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het dienaangaande gevoerde verweer treft geen doel.
10. In de noot in de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv waar de gemachtigde naar verwijst, is opgenomen dat bij het ontbreken of het niet branden van een dimlicht de bepalingen uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) worden toegepast. In artikel 32, eerste lid, van het RVV 1990 is - voor zover relevant - bepaald dat bestuurders van een motorvoertuig bij nacht dimlicht voeren. Dit artikel omvat een gedragsregel en is bedoeld om op te kunnen treden in gevallen waarin een voertuig voldoet aan alle daaraan te stellen eisen, maar het dimlicht bij nacht (of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd) niet wordt gevoerd.
11. Uit de verklaring van de ambtenaren volgt dat de dimlichten wel waren ingeschakeld, maar dat één van de dimlichten niet werkte. Gelet op hetgeen in de noot is voorgeschreven kan niet worden geoordeeld dat het opleggen van een sanctie wegens overtreding van de Regeling voertuigen niet mogelijk is. Het subsidiair gevoerde verweer treft evenmin doel.
12. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat de kantonrechter niet is ingegaan op het verweer dat er een verkeerde feitcode is toegepast. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek. Nu dit motiveringsgebrek niet afdoet aan de juistheid van de door de kantonrechter gegeven beslissing, zal het hof deze beslissing bevestigen met verbetering van gronden.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.