Belanghebbende kocht een vrijstaande woning in december 2016 voor €650.000, met een ontbindende voorwaarde voor bouwkundige keuring. Na verbouwingen en herstelwerkzaamheden werd de WOZ-waarde voor 2018 vastgesteld op €632.000. Belanghebbende betwistte deze waardering en stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld, mede vanwege aardbevingsschade en vermeende schendingen van hoorplicht, gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel.
Het hof oordeelde dat de aankoopprijs, tot stand gekomen tussen onafhankelijke derden, in beginsel de waarde in het economische verkeer weerspiegelt, tenzij anders aannemelijk wordt gemaakt. De herstel- en verbeterwerkzaamheden per 1 januari 2018 zijn meegenomen in de waardering, evenals de aardbevingsschade die niet leidde tot ontbinding van de koopovereenkomst.
De heffingsambtenaar leverde voldoende bewijs voor de vastgestelde waarde, waarbij het modelmatige waarderingsvoorschrift een hulpmiddel is en geen bewijsvoorschrift. Het beroep op willekeur, schending van het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel faalde, mede omdat de WOZ-waarden van vergelijkbare woningen correct waren vastgesteld en de waardebepaling modelmatig was onderbouwd.
Ook werd geen schending van de hoorplicht vastgesteld. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.