ECLI:NL:GHARL:2021:9475

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 oktober 2021
Publicatiedatum
8 oktober 2021
Zaaknummer
GEMW 200.272.036/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.13 APV AmsterdamArt. 154b Gemeentewet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boete voor niet-aangelijnde hond ondanks betwisting aanlijnplicht en discriminatievermoeden

Eiser kreeg een bestuurlijke boete van €95 opgelegd voor het niet aangelijnd houden van zijn honden in het Gerbrandypark te Amsterdam op 29 januari 2018. Hij erkende de overtreding, maar voerde aan niet op de aanlijnplicht te zijn gewezen en dat er geen verstoring van de openbare orde was.

De ambtenaar had waargenomen dat de honden niet aangelijnd waren, wat volgens artikel 5.13 van de APV Amsterdam verboden is, met uitzondering van losloopgebieden en geleidehonden. Eiser kon geen uitzondering aantonen. Het hof oordeelde dat kennis van gemeentelijke regelgeving van burgers wordt verwacht en dat verstoring van de orde niet relevant is voor het opleggen van de boete.

Eiser stelde dat hij werd gevolgd door de ambtenaar vanwege zijn huidskleur, wat discriminatie zou zijn. Dit werd niet aannemelijk geacht. Ook de stelling dat handhavers bonnenquota hanteren en onbetrouwbare verklaringen afleggen, werd niet als concreet bezwaar tegen de boete gezien.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €95 voor het niet aangelijnd houden van honden en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: GEMW 200.272.036/01
Uitspraak d.d.
: 8 oktober 2021
Arrestop het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2019, betreffende

[eiser] (hierna: eiser),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. Dat beroep was ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders in de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerk [nummer] .

Het verloop van de procedure

Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
Verweerder heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. Bij de beschikking met voormeld kenmerk is aan eiser een boete van € 95,- opgelegd voor overtredingen van artikel 5.13, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Amsterdam (APV Amsterdam). Deze overtreding zou zijn begaan op 29 januari 2018 in het Gerbrandypark in Amsterdam.
2. Artikel 5.13 van de APV Amsterdam luidt als volgt:
“1. Het is de eigenaar of houder verboden zich met een hond op of aan de weg te bevinden als deze niet is aangelijnd.
2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod van het eerste lid niet geldt.
3. Het verbod geldt niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.”
3. Eiser erkent dat hij zich op voormelde datum en tijd in het Gerbrandypark bevond terwijl zijn honden niet waren aangelijnd. Hij voert echter aan dat hij niet kon weten dat ter plaatse een aanlijnplicht gold. Niemand heeft hem dat ooit verteld. Van enige verstoring van de openbare orde is bovendien geen sprake geweest.
4. De ambtenaar heeft verklaard te hebben waargenomen dat dat eiser zijn honden op voormelde datum, tijd en plaats niet had aangelijnd. Artikel 5.13 van de APV bevat een algehele aanlijnplicht. Alleen voor specifiek aangewezen losloopgebieden en voor geleidehonden zijn uitzonderingen gemaakt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van een dergelijke uitzondering sprake was. Dat eiser nooit op de aanlijnplicht is gewezen, maakt dat niet anders. Van burgers wordt verwacht dat zij van (gemeentelijke) regelgeving op de hoogte zijn.
5. Anders dan eiser kennelijk meent, is voor de vaststelling dat artikel 5.13, eerste lid, van de APV is overtreden niet relevant of de openbare orde is verstoord. Overtredingen als deze zijn in zijn algemeenheid aangemerkt als overlast in de openbare ruimte, ongeacht of daarvan in het concrete geval daadwerkelijk door derden hinder is ondervonden.
6. Gelet op het voorgaande staat vast dat de overtreding is begaan. De vraag is of daarvoor een boete kon worden opgelegd. Eiser betoogt van niet. Hij stelt dat de ambtenaar discriminerende profilering toepaste. Dat blijkt uit het feit dat de ambtenaar eiser ruim 800 meter heeft achtervolgd alvorens hem aan te spreken. Camerabeelden zouden dit wellicht kunnen bevestigen. Gedurende deze achtervolging was eiser geen verdachte, aangezien zijn honden op dat moment waren aangelijnd. Het volgen was dus niet legitiem en is, naar eiser vermoedt, ingegeven door zijn huidskleur. Verder vindt eiser dat naar willekeur is gehandhaafd. Vele andere overtredingen blijven immers onbestraft. De handhavers worden met bonnenquota op pad gestuurd en leggen – hun ambtsbelofte ten spijt – met regelmaat onbetrouwbare verklaringen af, aldus eiser.
7. De enkele omstandigheid dat de ambtenaar eiser enige tijd achterna is gelopen, geeft geen aanleiding te veronderstellen dat sprake is geweest van discriminatie. Het staat de ambtenaar bij de uitoefening van zijn toezichthoudende bevoegdheden vrij om zich naar eigen inzicht binnen de openbare ruimte te verplaatsen. Dat de ambtenaar zijn route heeft bepaald op basis van etnische profilering, zoals eiser suggereert, is niet aannemelijk geworden.
8. De stellingen van eiser dat ambtenaren het met regelmaat niet zo nauw nemen met hun ambtsbelofte en dat zij bonnenquota hanteren, zijn geen concrete bezwaren tegen de opgelegde boete en behoeven daarom geen bespreking. Eisers stelling dat veel andere overtredingen niet worden bestraft, betekent niet dat hij voor de door hem begane overtreding niet mocht worden beboet. Schaarste in de handhavingscapaciteit en prioriteiten bij het bevoegd gezag brengen met zich dat keuzes moeten worden gemaakt bij het toezicht. Dat is niet onrechtmatig.
9. Eisers argumenten falen. Hem is terecht een boete opgelegd. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.