Uitspraak
[verdachte] ,
Het hoger beroep
Onderzoek van de zaak
mr. S.G.H. Langeweg, naar voren is gebracht.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond een ontnemingsvordering centraal die was ingesteld na een strafzaak waarin verdachte werd verdacht van medeplegen van een woninginbraak waarbij een bedrag van € 200.000,- zou zijn buitgemaakt. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en de verweren van betrokkene en haar raadsvrouw. De rechtbank Noord-Nederland had de ontnemingsvordering eerder afgewezen, maar het hof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de samenhang met artikel 511e en 348 van het Wetboek van Strafvordering, het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat.
Omdat verdachte in het strafproces door dit hof op dezelfde dag volledig werd vrijgesproken van medeplegen, medeplichtigheid en heling, moet het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de ontnemingsvordering.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens de algehele vrijspraak van verdachte.