ECLI:NL:GHARL:2021:948

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
2 februari 2021
Zaaknummer
21-001364-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511e SvArt. 348 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na vrijspraak woninginbraak

In deze zaak stond een ontnemingsvordering centraal die was ingesteld na een strafzaak waarin verdachte werd verdacht van medeplegen van een woninginbraak waarbij een bedrag van € 200.000,- zou zijn buitgemaakt. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en de verweren van betrokkene en haar raadsvrouw. De rechtbank Noord-Nederland had de ontnemingsvordering eerder afgewezen, maar het hof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de samenhang met artikel 511e en 348 van het Wetboek van Strafvordering, het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat.

Omdat verdachte in het strafproces door dit hof op dezelfde dag volledig werd vrijgesproken van medeplegen, medeplichtigheid en heling, moet het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de ontnemingsvordering.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens de algehele vrijspraak van verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001364-17
Uitspraak d.d.: 2 februari 2021
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2017 met parketnummer 18-930006-15 in de ontnemingszaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 200.000,- en oplegging aan betrokkene van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag van € 197.400,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en haar raadsvrouw,
mr. S.G.H. Langeweg, naar voren is gebracht.

De uitspraak waarvan beroep

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij beslissing van 28 februari 2017 de ontnemingsvordering afgewezen.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat deze behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht houdt in dat op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat.
Betrokkene is in de strafzaak bij arrest van dit hof van 2 februari 2021 (parketnummer 21-001365-17) vrijgesproken van het tenlastegelegde, te weten: primair het medeplegen van een woninginbraak, waarbij een bedrag van € 200.000,- zou zijn buitgemaakt, subsidiair de medeplichtigheid aan dit feit en meer subsidiair heling van een geldbedrag,
Deze (algehele) vrijspraak brengt mee dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gewezen door
mr. E.M.J. Brink, voorzitter,
mr. L.T. Wemes en mr. M. Aksu, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,
en op 2 februari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.