Uitspraak
[verdachte] ,
Het hoger beroep
Onderzoek van de zaak
mr. D. Fontein, naar voren is gebracht.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de ontnemingsvordering van wederrechtelijk verkregen voordeel ter discussie na een strafzaak over een woninginbraak waarbij een bedrag van €200.000,- zou zijn buitgemaakt. De rechtbank Noord-Nederland wees de ontnemingsvordering af, maar het openbaar ministerie stelde hoger beroep in tegen deze beslissing.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 2 februari 2021 het hoger beroep behandeld. Het hof nam kennis van de vordering van de advocaat-generaal tot ontneming van €197.400,- en de verweren van betrokkene en zijn raadsman.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht en de samenhang met artikel 511e en 348 Wetboek van Strafvordering, het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat. Omdat betrokkene in de strafzaak werd vrijgesproken, moest het openbaar ministerie worden verklaard niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering.
Daarmee vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht door het OM niet-ontvankelijk te verklaren. De zaak betreft een belangrijke bevestiging van het vereiste van een veroordeling voor ontvankelijkheid in ontnemingszaken.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens vrijspraak van betrokkene.